DE RECHTZINNIGEN VAN WOERDEN

Sinds het eind van de jaren zeventig is verzuiling onder his torici een populair object van studie geworden. In 1980 startte onder leiding van de hoogleraar Blom een onderzoeksproject naar verzuiling in het bijzonder op lokaal niveau, maar vervolgens was de grote katalysator het proefschrift van Siep Stuurman, dat in 1983 verscheen. In plaats van de problemen van een verzuilde samenleving te onderzoeken, waarmee A. Lijphart zich op toonaangevende wijze had beziggehouden, analyseerde Stuurman het ontstaan van de Nederlandse verzuilde samenleving, het proces van verzuiling dus. Hij onderkende in de verzuiling anti-socialistische strategieen, maar (wat een belangrijk inzicht was) tegelijkertijd een heel complex van morele hervorming dat gericht was op de privesfeer en vooral op de zedelijkheid. ' De verzuiling ontstond als onbedoeld en onvoorzien resultaat van een serie strategieen in verschillende sociaal-politieke conflicten. Strategieen, gericht tegen nieuwe sociale bewegingen zoals socialisme en feminisme, klassen- en seksenconflicten binnen de confessionele kampen en de fractiestrijd binnen de heersende klasse leidden in hun onderlinge vervlechting tot een sociaal-politiek systeem dat rond 1920 een zekere 'vastheid' en stabiliteit kreeg, en dat pas veel later met de term 'verzuiling' is aangeduid.'

Stuurman plaatste verzuiling duidelijk in het kader van de maatschappelijke en politieke aanpassing van ons land aan de industrialisatie. Hij plaatste tegelijkertijd zichzelf in de traditie die verzuiling als een vorm van sociale controle ziet. Tegenover deze traditie is, vooral vanuit de zuilen zelf, een andere beschouwingswijze naar voren gebracht, een stroming die verzuiling opvat als emancipatie. Emancipatie van groepen die op kerkelijk en politiek terrein achtergesteld waren: de katholieken, Abraham Kuypers kleine luyden en de socialisten. Emancipatie en sociale controle zijn de twee uiterste polen in het verzuilingsdebat, dat inmiddels ook onder historici een groot aantal tussenposities kent.

Het proefschrift van Rob van der Laarse komt voort uit het onderzoeksproject van Blom, een project dat door nauwkeurig lokaal-historisch onderzoek eerst maar eens nauwkeurige gegevens omtrent verzuiling wil verzamelen om daarna enger afgebakende definities en interpretaties te formuleren. Van der Laarse heeft dankbaar gebruik gemaakt van beschouwingswijzen uit de antropologie. Dat blijkt uit zijn grote (wel eens te groot naar mijn smaak) aandacht voor familienetwerken. Hij laat zodoende en passant zien hoezeer familiebanden het fundamentele verband van de negentiende-eeuwse maatschappij vormden. Antropologische inspiratie blijkt verder uit zijn analyse van bepaalde kerkelijke gebruiken, zoals het avondmaal. Op deze wijze kan Van der Laarse allerlei algemene noties en theorieen uit de antropologie zinvol in zijn eigen betoog verwerken en tevens resultaten van zijn onderzoek dienstbaar maken voor algemeen-culturele analyses.

De voor de verzuilingsdiscussie zo belangrijke socioloog J. P. Kruijt heeft ooit in het plaatsje Zuilen empirisch onderzoek gedaan naar verzuildheid. Gezien de resultaten van dat onderzoek, althans wat daarvan gepubliceerd is, lijkt Zuilen geschikter voor verzuilingsonderzoek dan Woerden. Dat wil niet zeggen dat Bevoogding en Bevinding tot onbelangrijke resultaten komt, wel dat de aard van de verzuiling in Woerden waarschijnlijk bijzonder is geweest. Waarschijnlijk, want Van der Laarse heeft zich geconcentreerd op de protestanten in Woerden, terwijl de katholieken rond de eeuwwisseling toch zo'n zevenendertig procent van de bevolking uitmaakten. Bovendien heeft de auteur zich vooral beziggehouden met politieke en kerkelijke ontwikkelingen, maar aan bepaalde aspecten van de verzuiling als sociaal proces minder aandacht geschonken. De lezer zal bijvoorbeeld weinig vinden over de Woerdense afdeling van het christelijk werkliedenverbond 'Patrimonium' of over de exclusief-hervormde tegenhanger daarvan.

10 ONKERKELIJKEN

Wat maakt de aard van de verzuiling in Woerden bijzonder? Het stadje (het groeide van 2676 inwoners in 1818 naar 7552 in 1930) kende amper een antikerkelijke liberale stroming en al helemaal niet een socialistische beweging. Wellicht is daarom over de plaatselijke Patrimonium-afdeling weinig te zeggen. Het percentage onkerkelijken bereikte met 411 personen in 1947 slechts vier procent van de bevolking, nadat pas in 1909 tien ingezetenen zich tot deze overtuiging hadden bekend. Woerden was algemeen een kerkelijk meelevend stadje en heeft daarom zowel op het punt van verzuiling en sociale controle als op het punt van de emancipatiethese de onderzoeker minder te bieden. Daarentegen kunnen de wrijvingen tussen de verschillende kerkelijke groeperingen juist goed worden onderzocht. Van der Laarse laat dan ook duidelijk zien dat de tegenstelling tussen protestant en katholiek in het begin van deze eeuw de verzuiling in Woerden beheerste.

Wat maakt het boek van Van der Laarse belangrijk? Vooral het accent dat hij legt op ontwikkelingen in de kerkelijke geschiedenis van Woerden. Natuurlijk, de economische ontwikkeling van het stadje, van marktcentrum via fabricage van stenen en dakpannen naar centrum van de kaasproduktie, wordt duidelijk voor het voetlicht gebracht. Bevolkingssamenstelling en beroepenstructuur worden evenmin overgeslagen. Meer aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van de politieke heerschappij in de stad. Woerden, bestuurd door aristocraten, was aan het eind van de achttiende eeuw een centrum van de patriottenbeweging. In de negentiende eeuw echter werd de politieke macht in de stad overgenomen door liberale burgerheren uit de fabrikantenklasse (en hun familiale aanhang) en vervolgens, aan het einde van die eeuw, door middengroepen, de dragers van de confessionele partijen.

Van groter belang lijkt echter het pleidooi van Van der Laarse voor herwaardering van kerkzorgen en -problemen in de negentiende-eeuwse maatschappij. Hij laat gedetailleerd zien hoe in een complex proces de Nederduits Gereformeerde Kerk, tijdens de Republiek nog een heersende kerk, langzaam maar zeker genoegen moest nemen (en nam) met een minder vooraanstaande rol in de maatschappij. Dat proces voltrok zich niet in de laatste plaats door toedoen van meningsverschillen in die kerk, want nadat aanvankelijk de verlichte aristocratie predikanten van haar richting aan de plaatselijke kerk had weten op te leggen, groeide de orthodoxe oppositie in de boezem van die kerk. Het 'precieze' element won aan invloed in de kerkeraad en weldra was het moeilijk, zo niet onmogelijk om 'rekkelijke', later moderne, predikanten in Woerden aan te stellen.

In dat proces is de plaatselijke Afscheiding van 1834, toen een zeer orthodoxe stroming zich van de Nederduits Gereformeerde Kerk los maakte, van groot belang. Zij laat zien dat de 'precieze' kerkelites ondanks hun toegenomen invloed er niet in slaagden de orthodoxe stroming onder het gewone kerkvolk binnen de organisatie te houden. De Afscheiding vormt zo het begin van de organisatorische deling van calvinistisch Woerden. Ook voor de auteur was de Afscheiding kennelijk van groot belang. Met buitengewone interesse volgt hij de orthodoxe, bevindelijke afsplitsing in al haar problemen en voortgaande splijtingen. Voor de kern van zijn betoog lijkt me die aandacht overmatig, maar voor een ieder die geinteresseerd is in Kruisgezinden, Gereformeerde Gemeenten e tutti quanti, bevat het boek interessante passages. Degenen die zich tot deze kerkelijke splinters aangetrokken voelden, bleken bijvoorbeeld verhuislustiger dan je zou verwachten. Voor Van der Laarse en voor zijn standpunt in de verzuilingsdiscussie is van belang dat de Afscheiding het monopolie van de Nederduits Gereformeerde Kerk in het calvinisme brak. Gaandeweg ontstonden andere 'opties', om een van de geliefde modewoorden van de auteur te gebruiken.

VOLKSKERK

Dat wil niet zeggen dat die Gereformeerde Kerk zelf niet veranderde. De onvrede met het Reglement dat onder koning Willem I in 1816 was gefabriceerd en dat de kerk een nauwe band met de staat gaf, groeide in Woerden. De traditionele volkskerk moest een belijdeniskerk worden, vonden degenen die streden voor kerkherstel. Het Reveil oefende aanwijsbaar invloed uit in Woerden. Vanaf het eind van de jaren dertig is een intensivering van het kerkleven vast te stellen, die vooral tot uitdrukking kwam in de herinvoering van de kerkelijke tucht. Woerden schaarde zich van harte achter de beweging voor kerkherstel, en als men in 1887 niet met Kuyper meeging de Doleantie in, dan met name omdat men de kerkelijke goederen niet wilde verliezen. Maar orthodox was Woerden en daaruit valt grotendeels te verklaren dat de Doleantie in het stadje schoorvoetend aanhang kreeg en dat de dolerende gereformeerde kerk er langzaam groeide. De oprichters van deze nieuwe kerk alsmede haar aanhang kwamen vooral uit de middengroepen. Van der Laarse toont eens temeer aan hoe divers de sociale basis van de Doleantie is geweest, want in het nabijgelegen Waarder vormde juist de rijke boerenelite de kern van de dolerende gemeente. Dat waarschuwt voor klakkeloos generaliseren op grond van lokale onderzoeken, hetgeen een aantal jaren geleden gebeurde met het proefschrift van Jojada Verrips over Ottoland. Ook daar had de lokale elite het voortouw genomen in de Doleantie.

Het betoog van Bevoogding en Bevinding wijst eerder een andere richting uit: op nationaal niveau geschetste en geinterpreteerde processen kunnen lokaal wel eens heel andere dimensies hebben gehad. Een voorbeeld is de Aprilbeweging van 1853, die veelal gezien wordt als een antiroomse manifestatie, waarvan conservatieven handig gebruik hebben gemaakt om het kabinet-Thorbecke beentje te lichten. Van der Laarse toont overtuigend aan, dat in de consternatie lokaal een zeer reele angst meespeelde om autonomie en taakstelling van de kerkelijke armenfondsen. Deze autonomie en taakstelling leken in gevaar te komen door plannen voor een nieuwe armenwet. Dergelijke lokale aanvullingen op landelijke processen brengt de auteur vaker. Meestal accentueert hij daarmee zijn herwaardering van het kerkelijke, die vooral voor zijn standpunt in de verzuilingsdiscussie van belang wordt. ' Tegenover [het] 'primaat' van de politiek geeft het Woerdense materiaal aanleiding om te spreken over een 'primaat' van de religie.' De verzuiling valt ook voor Van der Laarse in de periode na 1880, maar hij meent dat dit proces niet begrepen kan worden zonder nauwkeurige kennis van de kerkelijke ontwikkelingen die daaraan voorafgingen. Hij gaat nog verder: ' Verzuiling kan nu worden beschouwd als een substituut voor kerkelijk functieverlies.' Dat functieverlies werd veroorzaakt door de verdeeldheid onder de calvinisten. Die verdeeldheid droeg vervolgens bij tot verzwakking van de kerk tegenover de staat. De verzwakking kwam vooral tot uitdrukking in de competentiestrijd over armenzorg en onderwijs. Daar raakte de kerk haar 'natuurlijke' rol kwijt en vervolgens moesten de confessionelen deze op organisatorische wijze weer zien terug te winnen.

Met deze visie neemt Van der Laarse een heel eigen plaats in. Terwijl in de groep wetenschappers die de nadruk legt op het belang van de sociale controle, gewoonlijk een negatieve toon overheerst (sociale controle tegen modernisering, tegen de roomsen, tegen het socialisme), weet hij met zijn nadruk op kerkherstel en verlies van functie van de kerk ook een positief aspect aan de sociale controle toe te voegen: die van herkerstening van de maatschappij. Daarmee doet hij een inspiratiebron van 'de verzuilers' zeker recht, maar zijn boeiende analyse zal nog in samenhang moeten worden gebracht met de andere interpretaties van de groep. Het zou mij niet verbazen dat als gevolg daarvan 'de' verzuiling verder vergruisde tot meer verzuilingsprocessen die naar tijd, plaats, omvang en kerkelijke gezindte verschillen. Waarom zou 'de' verzuiling op niveau van de natie inderdaad niet een 'onbedoeld en onvoorzien' resultaat zijn van verzuilingsprocessen die op lokaal niveau uiteenlopende doelstellingen hadden?

Bevoogding en Bevinding. Heren en kerkvolk in een Hollandse provinciestad, Woerden 1780-1930 door Rob van der Laarse 454 pag., gill., Stichting Hollandse Historische Reeks XII, f65, -- ISBN 9072627032