De Natie 3

'Wilt u fijn wonen en werken, kom dan onze dorpsgemeenschap versterken', staat aan het begin van Luttelgeest. Luttelgeest! Ooit geweest? Ga maar niet. Ik was er. Het is er polder, vlak en winderig en de wegen zijn er lang en recht en onverbiddelijk. In het voorjaar zal de bloesem heerlijk geuren maar nu is het er naargeestig, al hangen de appels rood van rijpheid aan de boompjes. Niemand zou op het idee komen om hier met vakantie te gaan. Toch is er een vakantie-oord. Het stond dan ook vele jaren leeg, totdat de overheid het drie jaar geleden grotendeels huurde om er asielzoekers te huisvesten. Verleden week maandag werd onverhoeds ook het andere deel nog gehuurd, voor nog meer asielzoekers. De exploitant verklaarde zich content: met de huuropbrengst kon hij een tropisch zwemparadijs financieren en dan werd het misschien nog wat, qua vakantie te Luttelgeest. De een zijn toevluchtsoord is de ander zijn paradijs.

Het is een voormalige domeinhoeve, drie kilometer van de bebouwde en door 1500 mensen bewoonde kom. Afrikaanse kinderen spelen op het voormalige erf, een gitaar tokkelt melancholiek. In de hal die de voormalige stal is hangt het mededelingenbord. Dat je na acht weken een nieuwe tandenborstel krijgt, tandpasta, shampoo, 3 soaps and 1 pampers. Dat je Nederlandse les kunt krijgen en kunt deelnemen aan de pingpongcompetitie en, mits in het bezit van stempel voor fietsvaardigheid, voor een gulden een fiets kunt huren. Vier keer per dag komt een bus langs maar die is niet gratis; men kan er niet mee reizen sans acheter strippenkaart. De bewonersraad, waarin Ghana, Somalie en Nigeria het sterkst vertegenwoordigd zijn, waarschuwt per stencil tegen openbare dronkenschap en onderlinge discriminatie.

Bij een foto van de directeur staat te lezen 'Verblijf duurt veel te lang' en 'Het is de verveling, man' en 'Jongens, organiseer nou es wat!'. Hij is het type jeugdherbergvader waarin je de vroegere politieman herkent: joviaal maar streng, rechtvaardig maar strikt. Gisteren nog heeft hij een vrouw die, acht maanden zwanger, werd 'uitgeplaatst' naar een woning in Zutphen vervoer derwaarts per taxi moeten weigeren: dan is het eind zoek en trouwens, zulke gunsten bestaan ook niet voor Nederlanders, en nog trouwenser, ze kwam op eigen kracht van Nigeria naar Luttelgeest, dan kon ze ook wel op eigen kracht van Luttelgeest naar Zutphen komen. Hij is een soort burgemeester, met een staf van vijftig koppen en ruim vierhonderd ingezetenen, van 32 nationaliteiten; de golven van de 'instroom' deinen mee met het wereldnieuws: Somalie, Panama, Punjab, Roemenie. Ze verblijven een maand of vijf in het asielzoekerscentrum, dan verhuizen ze naar een gezinswoning in een dorp dat Wehl heet of Loppersum en daar moeten ze zichzelf redden, dus het is zaak ze niet te betuttelen.

De directeur leidt mij rond door zijn domein en citeert de woorden van de wet: het logies moet 'sober doch humaan' zijn. Sober is het zeker in de bungalows. Kale wanden, schamel meubilair. Het keukengerei is verwijderd want maaltijden worden uitsluitend centraal verstrekt. Trots laat hij de fitness-apparatuur zien, die hij voor een habbekrats op de kop kon tikken, en het veld waarop met succes de voetbalsport als integratiemodel wordt toegepast en de bungalow die moskee is. Aan het begin van de Ramadan puilde ze uit van de 150 vasters; zeventig hielden het vol en elke dag tijdens de lunch begroetten de 'zwakke broeders' in de kantine de nieuwe afvallers met luid applaus.

De directeur gaat er prat op dat de criminaliteit in zijn centrum lager is dan in de omringende Noordoostpolderdorpen. 'Het beeld van de asielzoekers is in het begin bedorven', zegt hij, 'ook omdat wij ze teveel hun zin gaven.' Dus krijgt van hem de Libanese christen, die niet met de Libanese moslim in een bungalow wil wonen, zijn zin niet. Dus krijgen Somalische vrouwen, tot hun verbijstering en vooral die van hun mannen, de twintig gulden zakgeld per week en honderdvijftig gulden kleedgeld per drie maanden zelf in handen al zullen die mannen het geld meteen weer afpakken. En dus moesten de Polen toch van de stenen borden eten die ze verontreinigd achtten omdat de Afrikanen er, en nog wel met hun handen, ook van aten. Dat zijn duidelijke regels en wij zijn hier in Nederland.

Ik ben onder de indruk, dat geef ik toe. Vooral van al die mensen, gestrand in een Hollandse polder, zonder iets om handen, in onzekere afwachting van een procedure die thans twee jaar vergt. Waar zijn de 'flierefluiters' die staatssecretaris Kosto deze week in Elsevier memoreert, de lui die 'hier hun tent 'ns een tijdje opslaan en nog een zakcentje toe krijgen ook'? De directeur wijst op drie Poolse jongelui in een iets te grote auto met een Westduits nummerbord; die zouden het kunnen zijn. Maar de meesten zitten hier 'echt niet vanwege hun zweetvoeten'. Hij kent hun herinneringen aan martelingen en opgesloten familieleden, aan dagelijkse angst; ze schrikken als de straaljagers van de vliegbasis Leeuwarden overscheren.

Maar het meest ben ik onder de indruk van al die vrijwilligers, enige tientallen, mensen uit de wijde omgeving, die al jaren de taallessen geven, de winkel in tweedehandskleding drijven, hand- en spandiensten verlenen, zomaar en omdat het leuk werk is. Nederland is groter dan Huybergen. Als ik terugfiets naar het oude land zie ik op vier kilometer van het asielzoekerscentrum twee Afrikanen voortstappen langs de polderweg, zes meter onder de zeespiegel, op weg naar niks.

    • John Jansen van Galen