DE DURE OTTERS VAN EXXON

Toen op 24 maart 1989 kapitein Joe Hazelwood zijn su pertanker 'de Exxon Valdez' in de Prince William Sound op een rif liet lopen, betekende dat voor de inwoners van de staat Alaska het einde van een mythe: die van hun schone oliedollars. Ruim 40 miljoen liter ruwe olie stroomde in open zee en bevuilde een kustgebied dat zich over honderden kilometers uitstrekte de grootste olieramp in de geschiedenis van de tankervaart.

In zijn boek In the wake of the Exxon Valdez doet Art Davidson gedetailleerd verslag van de schipbreuk en de ecologische catastrofe die er het gevolg van was. Iedereen komt aan het woord: de olieindustrie, de federale regering, wetenschappers, oorspronkelijke bewoners, vissers, leden van schoonmaakploegen en vrijwilligers die zich het lot van vogels, zeeotters en andere getroffen diersoorten aantrokken. Het maakt In the wake of the Exxon Valdez tot een uiterst leerzame case-study van een ramp die onbeheersbaar bleek.

Alaska's olierijkdom werd in 1968 ontdekt. Belust op oliedollars stemde de federale regering maar al te graag in met de bouw van een pijpleiding van meer dan 1200 km, dwars door Alaska, die eindigde in een terminal voor supertankers bij Valdez, een plaatsje aan de Prince William Sound. Alyeska, een consortium van zeven oliemaatschappijen, beloofde in ruil voor toestemming om te mogen boren kosten noch moeite te sparen om de Sound, die toegang geeft tot de Golf van Alaska, voor aantasting te behoeden. Geen overbodige belofte, want met zijn rotsen, riffen, nauwe doorgangen en pakijs vormde de Sound voor tankers met een lengte van drie voetbalvelden en een huid als een eierschaal riskant vaarwater. Twaalf jaar ging het goed, tot met de schipbreuk van de Exxon Valdez de broosheid van 'het veiligste olietransportsysteem ter wereld' aan de oppervlakte kwam.

SCHULDVRAAG

De schuldvraag ligt niet eenvoudig. Om te beginnen was er het verhaal dat kapitein Joe Hazelwood en zijn maat Jack Daniels samen het commando over de Exxon Valdez voerden. Ook was de relatief kleine bemanning vaak oververmoeid en werden regels aan boord met voeten getreden. Maar er was veel meer mis. De loods verzuimde de schendingen van de veiligheidsvoorschriften te melden. De kustwacht bleef in gebreke het schip op de radar te volgen. Alaska's Departement voor Natuurbehoud bestempelde achteraf Alyesko's rampenscenario als 'de indrukwekkendste fictie op zeevaartgebied sinds Moby Dick' maar had het niettemin goedgekeurd. De laissez-fairehouding van de federale regering tegenover de olieindustrie, die voor 85% van de staatsinkomsten zorgde en het de overheid mogelijk maakte iedere burger zo'n 800 dollar per jaar toe te stoppen louter vanwege het feit dat hij of zij in Alaska woonde, werkte Alyeska's snoeien op het veiligheidsbudget in de hand. En het Congres in Washington ten slotte had zich door de machtige olielobby zand in de ogen laten strooien: aan het afdwingen van de Grote Belofte lag vooral een politiek van wishful thinking ten grondslag.

Toch vallen Exxon, zoals Art Davidson ook toegeeft, niet alleen verwijten te maken. Temidden van de chaos direct na de ramp, toen Alyeska in het niets verdween en tal van regeringsfunctionarissen wanhopig doende waren hun taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden vast te stellen, hield Exxon, dat evenmin op een ramp van een dergelijke omvang was voorbereid, het hoofd koel en reageerde sneller dan wie dan ook. Zo slaagde de maatschappij erin de 160 miljoen liter ruwe olie die in de Exxon Valdez waren achtergebleven, naar zusterschepen over te pompen zonder dat het gestrande schip in tweeen scheurde, een knappe prestatie. Uit alle hoeken van de wereld werd materiaal aangevlogen om de olie te beteugelen. Resultaat: nog geen tien procent van de in zee gelopen olie werd daadwerkelijk geborgen. Aanvankelijk wilde Exxon de olie vanuit de lucht met chemicalien verspreiden, maar werd hierin uit angst voor ecologische neveneffecten door de federale regering gedwarsboomd. Een eventuele toestemming had overigens bij lange na niet het effect gesorteerd dat Exxon later de rechter wilde doen geloven: de benodigde hoeveelheden chemicalien waren eenvoudig niet voorhanden. In mei zette Exon een enorme operatie in gang om de kusten te reinigen, waarbij het begrip 'schoon' al spoedig ineenschrompelde tot 'behandeld'. Uit angst wegens wanprestatie voor de rechter te worden gedaagd, bleef Exxon doorgaan met rotsen schrobben, ook toen dat ecologisch meer kwaad deed dan goed. De kosten liepen op tot twee miljard dollar, aan schadeclaims werd nog eens twee miljard uitgekeerd. Conclusie: met geen geld ter wereld kan een olieramp van een dergelijke omvang afdoende worden bestreden.

PUBLIC RELATIONS

De aanblik van al die dode, besmeurde vogels en zeeotters liet de tv-kijker niet onberoerd. De zeeotter werd het symbool van de ramp. Miljoenen waren getuige van de worsteling van deze 'snoezige' dieren tegen de soms decimeters dikke oliedrab.

Vrijwilligers spoedden zich na het zien van de schokkende beelden naar Alaska om aan de reddingswerkzaamheden deel te nemen. Exxon bedreef op zijn beurt uitstekende public relations door zich het lot van de zeeotters aan te trekken. Ongelimiteerde hoeveelheden verse oesters, mosselen en krabben werden overgevlogen om de 350 geredde otters te voeden. De 220 exemplaren die het er uiteindelijk levend van afbrachten, kostten Exxon 90.000 dollar per stuk.

De schipbreuk greep diep in op het dagelijkse leven in Valdez. Het plaatsje kreeg een invasie te verwerken van duikers, biologen, bergingswerkers, bureaucraten, advocaten, verslaggevers en televisieploegen. De week na de ramp liep het inwonertal op van 2300 tot meer dan 5000. De horeca beleefde gouden tijden, al ontstond er een nijpend personeelstekort toen Exxon mensen voor $18.69 per uur begon weg te kopen. Half april lokte de schoonmaakoperatie nog eens duizenden naar Valdez. Getatoueerde, ongeschoren vrijbuiters proostten op Joe Hazelwood, 'gemakkelijk verdiend', lachten ze. Tegen de zomer bereikte het inwonertal een piek van 12.000. Voor de dorpsbewoners varieerden de effecten van de ramp enorm. Een jongeman van begin twintig verhuurde zijn skiff aan Exxon en zag zijn verdiensten aan het einde van de zomer oplopen tot 700.000 dollar. Anderen waren volledig geruineerd. Het laat zich raden wat voor spanningen dit opriep.

In the wake of the Exxon Valdez vertelt een treurige geschiedenis, vol nalatigheid, naiviteit, hebzucht en verderf. Een geschiedenis ook die de lezer met een ongemakkelijk gevoel achterlaat: stelt hij een lage energierekening soms niet op prijs?