CONFLICTEN

In het licht van de huidige crisis in het Golfgebied is de vraag gerechtvaardigd hoe groot de dreiging is van relatief kleine conflicten. De militaire top van de Verenigde Staten is er in de loop van de jaren tachtig van overtuigd geraakt dat de cumulatie van een groot aantal gevallen van politieke en economische instabiliteit in vooral de Derde Wereld wel degelijk een bedreiging vormt voor Amerikaanse belangen. Deze instabiliteit kent vele uitingsvormen: gewapende binnenlandse conflicten, terrorisme, subversieve activiteiten van ideologische tegenstrevers etcetera. In het jargon van de Amerikaanse krijgsmacht doet de term 'Low Intensity Conflict' (LIC) dienst als overkoepelend begrip voor dit soort gebeurtenissen. De voormalige Amerikaanse minister van Defensie, Caspar Weinberger, poneerde in 1985 tegenover het Congres dat naar alle waarschijnlijkheid het LIC tot het einde van deze eeuw de meest directe bedreiging van de vrije wereld zou blijven.

Deze uitspraak wordt aangehaald door Clingendael-medewerker C. Homan, die een inventarisatie heeft gemaakt van de gedachten omtrent het LIC-concept in de Verenigde Staten. De prognose van Weinberger geeft aan dat er in Amerikaanse defensiekringen druk wordt gedebatteerd over de beste methode om een LIC hanteerbaar te houden. Helaas heeft Homan zich grotendeels beperkt tot een beschrijving van de discussie over de rol van het LIC-concept in het Amerikaanse defensiebeleid. Nergens worden de beleidstheoretische noties omtrent LIC gekoppeld aan analyses van recente conflicten waarin de Verenigde Staten een rol spelen en die als LIC kunnen worden aangemerkt.

De interventies in Grenada en Panama zijn de meest voor de hand liggende voorbeelden, maar er zijn er veel meer. In plaats daarvan is er aan het eind een hoofdstukje ingelast over de relevantie van het LIC-concept voor West-Europa. Homan had dit beter kunnen laten omdat dit onderdeel zich niet in zes bladzijden op bevredigende manier laat behandelen. Aan het einde van de paragraaf over Nederland en het LIC concludeert Homan dat ' met name het bewustwordingsproces onder de nationale minderheden in Oost-Europa kan leiden tot gedrag dat een meer politiele inzet van de krijgsmacht noodzakelijk kan maken'. Of Homan hier bijvoorbeeld mee bedoeld dat ook wij in Transsylvanie onze tanden moeten laten zien indien de situatie daar aanleiding toe geeft, blijft volstrekt onduidelijk.

Het valt te wensen dat er op het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen in de toekomst beter wordt nagedacht over het nut van sommige publikaties waarbij mijns inziens een half ei lang niet altijd beter is dan een lege dop.