Columns

Vaak denkt een columnist: als ik het begin maar heb, dan valt de rest wel mee, het wijst zich vanzelf. Dat is gedeeltelijk waar, maar de ellende is dan vaak dat de titel niet meer past, noch de aanhef, noch de aangegeven lijn. Ik zeg het er maar even bij, om u, nu achteraf, uit te leggen waarom sommige stukjes ineens linksaf sloegen, zal ik maar zeggen, net als gedachten. Het worden i.p.v. keurig opgezette, uitgebalanceerde, in het brein al van tevoren gerangschikte en dus mooi rondlopende opstellen, plotseling vreemde wandelingen door een onbekend woud, waarbij de lezer die veel fauna beloofd is, teleurgesteld tussen de flora zit. (Mooi dat ik allebei die woorden ken, evengoed.)

Het is niks voor scholen, voor onderwijsdoeleinden. Andere schrijvers worden daar meer voor gebruikt. Als ik zes bladen van schoolboeken vul is het veel.

Het is trouwens alleen de eer, want rijk word je er niet van. Je komt lang niet aan de 33 of 50 gulden die ik voor bloemlezingen per pagina mag ontvangen.

Anderzijds mag ik niet klagen, want er gaat haast geen stukje de deur uit of het wordt hergebruikt - en niet alleen in de kattebak of de haard. Elke keer weer bedenk ik een thema en ik mag een boon zijn of ik heb er ettelijke stukjes aan gewijd, vooral in die vruchtbare tijd dat ik zowel in het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant als in die van Het Parool verscheen. Het laatste overigens onder pseudoniem. Ja mevrouw, inderdaad, dat was ik.

Mijn allereerste boek met columns, Code genaamd, naar de titel die er toen boven stond, heeft niet gelopen. Misschien was het omdat de uitgever me beloofd had het nog voor Sinterklaas het licht te doen zien, maar het pas 3 januari daaropvolgend afleverde, zodat ik zelfs de kerstinkopen miste. Ik hoor je al denken, ja, maar misschien was het wel een slecht boek. Maar dat was niet zo. Het was dik. Te dik. En dikke boeken met columns verkopen niet. Dunne wel. Een beetje dun, want de mensen hebben bij boeken die duidelijk samengesteld zijn uit columns altijd het idee dat ze het al gelezen hebben.

Sindsdien gaat het beter. ..niet denderend liep, zijn de latere werkjes, waarin niet het woord column voorkwam, de winkels uitgevlogen. Ze waren klein, handzaam, en op een onderwerp gerangschikt.

Zo, nu weet u ook hoe dat moet. Veel mensen vragen nog wel eens of de boeken over Odile en Claire, in briefvorm, die ik samen met Thomas Rap schreef, niet een vervolg kunnen hebben, maar drie vind ik genoeg voor een trilogie. Ook die boekjes waren gedeeltelijk op verrassing gebaseerd want Tom en ik schreven echt naar mekaar. Tom schreef mij op maandag en ik schreef hem dan terug in de krant, waarin ook zijn brief werd afgedrukt. En dan hij op maandag weer aan mij. We wisten wel zo'n beetje, een keer aan de thee op een blaadje geschreven, waar het heen moest, maar ik stond soms toch raar te kijken bij sommige ontwikkelingen - en Tom evenzo.

Is het niet moeilijk, vragen lezers, om elke week weer opnieuw iets te verzinnen.

Nee. Niet echt.

Net zoals een metselaar in zijn achterhoofd weet dat hij volgende week nieuwe stenen moet bestellen, dat hij moet oppassen omdat de tweede partij tegeltjes een iets afwijkende kleur heeft (op een ander wandje valt dat niet op - wel als je ze zij aan zij legt) en een zekere routine krijgt, krijgt ook de stukjesschrijver routine. Als dat niet zo is, is er iets heel ergs mis.

Natuurlijk ontwikkel je dan een soort stijl, al was het alleen maar omdat je bepaalde woorden en bepaalde zinswendingen meer gebruikt dan anderen. En sommige woorden komen gewoon niet bij je op. Ik zie ze wel eens staan, in andere stukjes, en dan denk ik, he, daar zou ik nooit en te nimmer opgekomen zijn.

Ik weet ook heus wel dat ik te veel haakjes gebruik, vanwege het associatieve karakter van mijn geschrijf (ik denk er altijd iets bij wat met het verhaal op zichzelf niets te maken heeft, maar wat ik u niet wil onthouden). Ik gebruik ook te veel gedachtenstrepen - om een pauze te scheppen - en het woord anderzijds vloeit me ook iets te gemakkelijk uit de pen. (Zie boven.) Zo weet ik dat ik mezelf het beste kan imiteren - laatst is er een bedroevende poging gedaan in dat studentenblad waarvan me de naam ontschoten is, zoiets als Pro Patria, waarin iets stond als ' en bij een gepocheerde zalm dronk ik een mooie Pouilly Fusee, ' terwijl ik niet van verse zalm hou en nooit Pouilly Fusee bestel omdat ik weet dat dat woord bestorven ligt in de mond van Amerikanen en ik derhalve veel te veel betaal. Ik kies juist altijd de onbekende naam van het veldje ernaast, waar niemand van gehoord heeft.

Toen er een prijsvraag was in Het Parool om de grote Carmiggelt na te doen en een Kronkel te schrijven, kwamen er prachtige inzendingen, zo mooi zelfs, dat de drie prijswinnaars als hele mooie Kronkels het afdrukken waard waren.

Toen een journalist later aan Carmiggelt vroeg of hij dat niet vervelend vond, dat anderen kennelijk ook mooie gave Kronkels konden schrijven, antwoordde Simon dat het hem deed denken aan het verhaal van een meisje van zeven jaar die met haar moeder in de tram zit, recht tegenover een grote, zware man die enorm scheel kijkt.

Na vier haltes buigt het meisje zich vertrouwelijk voorover en zegt tegen de man: ' Dat kan mijn broertje ook. Alleen niet zo lang... '.

In 1949 kwam de New Statesman met een prijsvraag: wie kan het beste Graham Greene parodieren.

Er arriveerde een lawine van brieven, maar de winnaar, onder pseudoniem, was Greene zelve. Hij schreef een deemoedig bedankje in het volgende nummer. En zie je wel, daar heb ik weer geen passend eind.

    • van Lennep