Brief uit de nog-DDR

Zij deelt niet het 'grenzeloze vertrouwen in vader Kohl' dat ze bij veel landgenoten ziet. De 'nog-DDR' wordt haar steeds dierbaarder, hoe sneller ze verdwijnt.

Adina Krabbe is journaliste en communicatiewetenschapster in Oost-Berlijn. Geboren in het jaar dat de muur gebouwd werd. Nog altijd lid van de communistische partij, de PDS, opvolgster van de SED van Honecker. Omdat ze gelooft in de idealen van het socialisme. Zij is een van degenen die hoopte dat in een nieuwe DDR die idealen alsnog gerealiseerd zouden worden.

In mei was ze in Nederland, voor het eerst in het Westen, West-Berlijn niet meegerekend. Ik was al vaak bij haar in Oost-Berlijn geweest, voor het eerst kon ze nu eens bij mij op bezoek komen. Eindelijk kan ze vrij reizen naar het buitenland. Zolang het duurt, want binnenkort zal het niet de overheid zijn maar geldgebrek dat haar daarvan weerhoudt. In september raakt ze waarschijnlijk haar baan kwijt. Het Instituut voor internationale betrekkingen waar ze werkte is opgeheven. In het onderzoek dat zij daar deed, naar een meer rechtvaardige internationale communicatieorde ten behoeve van de Derde Wereld, heeft niemand meer interesse. De Derde Wereld is uit. De ideologie van internationale solidariteit is vervangen door de idealen van 'Deutschtum' en consumptiemaatschappij. Onze werelden gaan op elkaar lijken maar zullen toch heel verschillend blijven, concludeert ze in de volgende brief aan haar Nederlandse vriendin Trees van Montfoort.

Oost-Berlijn, augustus 1990Lieve Trees,

Het heeft wat lang geduurd voor ik deze brief kon schrijven. Intussen is hier zoveel gebeurd. Toen we in Utrecht op het station afscheid namen en ik in de trein naar Berlijn moest stappen, heb jij iets gezegd waarvan de diepere betekenis pas geleidelijk aan tot mij doorgedrongen is: je had geprobeerd mij in deze twee weken iets van jouw wereld te laten zien. Deze onschuldige zin heeft mij, weer terug in het turbulente dagelijks leven in Berlijn, steeds meer aan het denken gezet. Mijn wereld - jouw wereld?

Ook in de komende jaren zal jouw wereld een heel andere blijven dan de mijne, hoewel wij nu met de D-mark ook 'echt' geld hebben, alsmede een vrije markteconomie, werkloosheid en uitkeringsgerechtigden. Het is niet meer de wereld van voor de revolutie (die, zoals alle Duitse revolutiepogingen, weer eens mislukt is), toen ik probeerde jou het bestaansrecht van de Berlijnse muur te verklaren. Toen wij in januari dit jaar bij de Brandenburger Tor de 'Mauerspechte' hoorden, moesten we er toch om lachen, om mijn vlammende verdedigingsrede van toen, ruim een jaar geleden, ontstaan uit een mengeling van liefde voor dit vermoeiende land de DDR en verdrongen ergernis over hoe het mij bevoogd en ingesloten heeft. Maar om dat laatste openlijk toe te geven viel mij vanwege het eerste ongelofelijk zwaar.

Meer verschillend konden onze werelden dus nauwelijks zijn. Liberaliteit, openheid, vriendelijkheid, tolerantie - zij het in het boze kapitalisme - bij jullie. Bij ons onder de schijn van internationalisme, provincialisme, geheimzinnigdoenerij, zelfs over onbenullige zaken, het voortdurend op zoek zijn naar allerlei produkten, maar ook de aanwezigheid van een sociale zekerheid waarnaar velen al weer terug verlangen - hoe bedriegelijk en dodelijk voor de creativiteit ze ook was. Of deze tegenstelling helemaal juist is weet ik niet, maar ik heb het zo ervaren.

Als ik mijn huidige wereld, deze onaangename zweeftoestand tussen 'niet-meer-DDR' en 'nog-niet-heel-Duitsland', in de vergelijking betrek, is het bijna nog erger. Wat ik bij jullie als heel aangenaam ervaren heb - een zekere menselijke warmte -, zoek ik hier tevergeefs. Het is tamelijk koud. Onze mensen worden heen en weer geslingerd tussen angst (om hun baan, om hun pensioen) en optimisme (een grenzeloos vertrouwen in vader Kohl). Dat alles is de context van een luidruchtig, dom Duits-nationalisme dat bijzonder moeilijk te verdragen is. Maar ergens is het ook wel weer te begrijpen, immers: we zijn weer iemand, mogen eindelijk weer echte Duitsers zijn! Dat wij nog lang tweedeklas Duitsers, want de armste Duitsers, zullen zijn, doet er dan niet toe. In ieder geval, zo zegt de ijverige Bildlezer, zijn wij allemaal meer waard dan de Turken die sinds meer dan twintig jaar in West-Duitsland leven of daar geboren zijn. Meer waard dan de Vietnamezen, Mozambicanen en Cubanen, die bij ons het vuile werk op mochten knappen en nu, nu de arbeidsmarkt krap wordt, maar weer dienen te verdwijnen. En de Polen, die in de goedkope supermarkten in West-Berlijn grote hoeveelheden levensmiddelen kopen, zijn het minste van het minste. Dat deze zelfde wonderbaarlijke Duitsers die nu zo praten zich november vorig jaar in de Westberlijnse warenhuizen als een horde apen gedroegen en om plastic zakken en cadeautjes bedelden - vergeten, zoals zo veel. Het afsterven van de staat DDR geschiedt zonder waardigheid. Onze regering doet haar uiterste best daarvoor. Wie regeert ze eigenlijk nog? En met welk doel voor ogen? Voor het zeggen hebben het zij die geld hebben. En dat is niet Lothar de Maiziere. Alle gebeurtenissen van de afgelopen weken versterken mij in mijn idee dat onze werelden ook in de toekomst zeer verschillend zullen blijven, ook als we hetzelfde maatschappijsysteem zullen hebben. Ik denk met plezier terug aan het heldere, gezonde zelfbewustzijn van de Nederlanders. Dat op veel privegrond de nationale vlag wapperde, vind ik ergens sympathiek. De aanblik van een Duitse vlag roept onbehagen bij mij op. Ik kan haar nog niet als de mijne accepteren. Vroeger heb ik nooit op officiele feestdagen de DDR-vlag uit het raam gehangen. Tegenwoordig neem ik haar mee naar elke demonstratie. Ik benijd de volken die niet zo'n bedorven, nog altijd onverwerkte geschiedenis hebben.

Vriendelijkheid. Die viel me gelijk op bij het passeren van de grens bij Oldenzaal. De Nederlandse douanebeambte zong zeer luid en zeer vrolijk. Ik stel me een van onze douaniers voor die 'smorgens om zes uur bij het werk zingt. Iedereen zou denken dat hij dronken was of gek. Op de terugreis, overigens, was de eerste ambtshandeling van de (West-)Duitse douane: luid schelden. Ik vraag me af of het een onderdeel van het Nederlandse nationale karakter is, vriendelijk, open en tolerant te zijn. En zo ja, hoe is dat zo gekomen? Wij zijn toch geografisch helemaal niet zo ver verwijderd.

Misschien vind je dit maar oppervlakkige indrukken, zoals iedere toerist die opdoet. Er zijn natuurlijk ook aspecten van het dagelijks leven bij jullie die me te denken geven. Naast vele positieve dingen was er ook het een en ander waar ik van geschrokken ben. Bij voorbeeld hoe er met bijstandontvangers omgegaan wordt. Dat je van een uitkering kunt leven, niet hoeft te verhongeren of af te zien van elk pleziertje, is goed. Schokkend vond ik echter, dat precies onderzocht wordt hoe slecht het met de aanvrager gaat. Dat iemand die een beetje verdient vriend of vriendin moet onderhouden, ook als er geen gezamenlijk huishouden is. Dat ook nauwkeurig gecontroleerd wordt of men intussen nog werkelijk niemand gevonden heeft. Dat stoort me, want ik ervaar het als een inmenging in heel persoonlijke zaken. Helaas komen onze landen juist op dit gebied dichter bij elkaar, want onze sociale wetgeving is vergelijkbaar. Als ik in de bijstand kom moeten eerst mijn ouders hun gezamenlijke bescheiden spaargeld opgebruikt hebben, voor ik ook maar een pfennig van de staat krijg. Als het zo ver is feliciteer ik de staat: die heeft dan drie sociale gevallen in een keer, want mijn ouders zijn al boven de vijftig.

De hoeveelheid niet noodzakelijk afval (plastic verpakkingen, bierblikjes) heeft me bevreemd. Het clichebeeld van Nederland als een milieubewust land met een effectieve economie is gerelativeerd. Intussen stikken ook wij in de vuilnis van de westerse beschaving; en het statussymbool colablikje rukt genadeloos op. In juni hebben de vuilnismannen gestaakt - met succes. Ze krijgen meer geld en de afvalproducerende bedrijven moeten meer reinigingsrechten betalen. Ook over de reclame die veel van de mooiste huizen in Utrecht, Amsterdam en Den Haag ontsiert, zal ik me bij mijn volgende bezoek waarschijnlijk niet meer verbazen. Ook in dit opzicht passen we ons bijzonder snel aan de westerse normen aan. Inmiddels begrijp ik waarom jij ons grauwe verpakkingsmateriaal uit kringlooppapier indertijd zo sympathiek vond.

Eigenlijk had ik meer willen schrijven over mijn indrukken van jouw land. Maar bijna dwangmatig vergelijk ik steeds met onze 'nog-DDR'. Die wordt me als maar dierbaarder, hoe sneller ze verdwijnt. Ik heb niet het gevoel dat ik naar Duitsland toegroei. Duitsland overwoekert mij. En ik weet nog niet of me dat wel zal bevallen.

In de hoop dat je met mijn overdenkingen iets kunt beginnen, beeindig ik deze brief.

Veel groeten en tot de volgende keer.