Bridge

De grootste gevaren die een speler bedreigen, zijn het zich laten drijven op routine en het hebben van idees fixes, denkbeelden die zich in het hoofd zo vastzetten dat je de signalen niet meer opmerkt die aangeven dat er met zo'n denkbeeld iets mis is. De sterkste spelers kunnen aan deze kwalen lijden. Kijk maar naar wat tijdens de Wereldkampioenschappen in Geneve meervoudig wereldkampioen Lew Stansby overkwam:

(Schoppen) H 8 5 4

(Harten) A B 8 3 2

(Ruiten) V 10

(Klaver) 5 2

(Schoppen) 3 2

(Harten) 5

(Ruiten) H B 9 7 6 4 2

(Klaver) A V 9

De Russische O-speler Kowalski opende met 2 (Klaver), wat werd omschreven als 'een constructief preemptief bod'. Stansby volgde met 2 (Ruiten) en Tuszynski (W) bood 2 (Harten), welk bod naar Stansby doorliep. Deze bood nog eens 3 (Ruiten) en wie zou dat niet hebben gedaan met een 7-kaart, niet kwetsbaar tegen kwetsbaar?

Maar W was onvriendelijk en zei doublet. Hij kwam met (Klaver) 10 uit en Stansby won de slag met (Klaver) V. Het leek niet een contract om zich erg ongerust over te maken. Zo te zien liggen er 9 slagen: 6 (Ruiten)'s, (Klaver) A-V en (Harten) A. De 10de slag lijkt zelfs binnen handbereik: in slag 2 (Klaver) A en in slag 3 (Klaver) 9 op tafel troeven. Ook in een knock-out-toernooi is zo'n hapje niet te versmaden en dus koos Stansby deze aanpak. Maar het dak kwam meteen naar beneden: W troefde (Klaver) A, sloeg (Ruiten) A en speelde (Ruiten) na om Z de kans te ontnemen alsnog een (Klaver)-troever op tafel te maken. Dat was een down, want O had natuurlijk (Schoppen) A en zijn (Klaver)-verliezer kon Z niet meer kwijt raken.

Het idee fixe waarvan Stansby slachtoffer werd was dat hij (Klaver) 9 moest troeven, en die dwanggedachte werd nog versterkt door de mogelijkheid dat hij hierdoor een overslag zou kunnen winnen. Was zijn geest echter voldoende vrij geweest om dit geval zuiver technisch te benaderen, dan had hij ongetwijfeld de juiste aanpak gevonden om ten minste zijn contract veilig te stellen. Hij zou dan in slag 2 (Klaver) 9 hebben nagespeeld! Als W troeft en wil voorkomen dat Z zijn (Klaver) A op tafel troeft, door meteen met (Ruiten) A en (Ruiten) na te vervolgen, dan maakt Z (Klaver) A 'gewoon' als slag. En vervolgt hij met iets anders dan troeft Z altijd (Klaver) A. Laat W slag 2 aan (Klaver) B, dan kunnen OW evenmin deze aftroefslag verhinderen.

Het gevaar om slachtoffer te worden van een idee fixe ligt ook bij bridgerubriekschrijvers op de loer. Schaak- en bridgemeester Frans Borm, de laatste jaren een vaste keuze voor het Nederlandse team en bondsmoderator van onze prille bridgejeugd, de aspiranten (t/m 18 jaar), maakte mij er bij het EOE Optiebeurstoernooi in Zandvoort knorrig op attent dat ik in de rubriek van 5 september over een van de spellen van het wereldkampioenschap voor gemengde paren geheel ten onrechte heb opgemerkt dat de latere wereldkampioen Peter Weichsel tegen een ambitieus geboden 5-(Harten)-contract verzuimde met 6 (Ruiten) te redden. Ten onrechte, want in 5 (Harten) kunnen hij en zijn partner 3 vaste slagen opnemen! Op grond van een telefonisch verslag vanuit Geneve van de gebeurtenissen op het onderhavige spel had zich bij mij de gedachte vastgezet dat het 5-(Harten)-contract was gemaakt en dat dus 6 (Ruiten) een uitstekend redbod was (tegen Maas-Vriend werd 5 (Ruiten) gedoubleerd gewonnen). In de haast deze gebeurtenissen op de valreep nog in de rubriek te verwerken was ik blind voor zelfs zo'n eenvoudig gegeven dat 5 (Harten) al van de uitkomst af down is.

Routine bij het bieden is uitstekend als het bijvoorbeeld de vanzelfsprekendheid betreft waarmee je kaarten en honneurs telt die tijdens het spelen bekend worden. Geroutineerde spelers kost dat betrekkelijk weinig moeite en hierdoor bereiken ze vaak 'spelenderwijs' conclusies over het zitsel die minder geroutineerde spelers missen. Routine bij het bieden is echter ook gevaarlijk. Neem dit spel uit het EOE Optiebeurstoernooi:

(Schoppen) A 7 3 2

(Harten) H 6 4

(Ruiten) 10 8 6 4

(Klaver) A 9

(Schoppen) H 10 9 8 6

(Harten) 9 8 7 5

(Ruiten) A 3 2

(Klaver) B

(Schoppen) ---

(Harten) B 3 2

(Ruiten) V B 9 7

(Klaver) H 8 7 6 4 3

(Schoppen) V B 5 4

(Harten) A V 10

(Ruiten) H 5

(Klaver) V 10 5 2

Marty Bergen en Larry Cohen zijn vermoedelijk de meest agressieve bieders die in de internationale toernooizalen rondlopen. Het missen van een goed contract door een timide bieding kan bij hen eigenlijk niet voorkomen. En toch. Doordat Anton Maas in de derde hand de N-hand niet wenste te openen, het zijn per slot van rekening maar 11 honneurpunten met een vlakke verdeling alhoewel dit tegenwoordig nauwelijks meer een argument blijkt te zijn kon Bergen de O-hand met 1 (Klaver) openen. Cohen antwoordde met 1 (Schoppen) en Bergen verhoogde tot 2 (Schoppen). En daarop paste W! Hier zien we volgens mij een geval van een gemakkelijke routineuze beslissing. W denkt simpelweg ' met 8 honneurpunten, waarvan de (Klaver) B nog een singleton is, ben ik nu uitgeboden, want partner geeft aan geen sterke opening te bezitten'. Dat zo'n routineuze benadering van een in wezen alledaagse biedsituatie tot verkeerde beslissingen leidt, is duidelijk. Ik hoef er dit maal niet eens de Losing Trick Count bij te halen, want al in de dagen van Culbertson waren 5 troeven mee, een Aas en een singleton voldoende om een 1-(Harten)- of 1-(Schoppen)-opening direkt tot het 4-niveau te verhogen. Waarom dus nu op W's 2de kleur gepast? Zelfs als de verhoging tot 2 (Schoppen) op een 3-kaart kan zijn gedaan, is het de moeite waard met de W-hand nog een poging te doen. In deze troef-fit situaties blijkt de honneurpunten-waardering, die hier ongeschikt is voor een juiste beoordeling van de kracht van een hand, zelfs topspelers parten te spelen. ' Ik had maar 8 punten, partner'. Tja, die puntentelling toch.

    • Bob van de Velde