WAT WIJ ZIEN EN HOREN

Aan die sneeuwuil van vorige week hadden jullie al wel gemerkt dat we nog niet zo lang geleden in Artis moeten zijn geweest want we wisten zo goed de weg naar de kooien. Goed opgemerkt. Misschien zijn jullie er ook wel pas geweest.

Het kan best dat we hetzelfde oogje hebben gezien dat zo zielig half openstond van dat brokje kuiken. Onze papa zei, dat de oppassers moeilijk al die oogjes kunnen gaan sluiten. Bij die kleine dieren kunnen ze niet aan stervensbegeleiding gaan doen en erzijn geen nabestaanden. De kopjes eraf laten kan ook niet, want die vinden de uilen zo knapperig, zei hij. Hij probeerde zeker geestig te zijn en daar werden we een beetje kwaad om want we kregen bijna tranen in onze ogen. Maar hij heeft lekker op z'n donder gehad bij de beren. Bij de grote ijsbeer die zo slaperig en slim lag te kijken in de diepte op de rotsen bleef hij maar zeggen, 'Het is net Stalin in Jalta.

Dat is toch sprekend Stalin. Als je dat beest een pet opzet kan hij zo op het Rode Plein de parade afnemen.' En nog eens zei hij dat het net Stalin was. Maar toen kwam er een vrouw naar hem toe en we zagen dat ze echt boos was. Ze zei heel fel, 'Zeg, beledig dat beest niet!' Hij zei niets terug en liep zo'n beetje neuriend door. Later hebben ze hem toch weer aan het lachen gemaakt, zonder dat het de bedoeling was. Er liepen twee nijlpaarden in een kooi rond en een ervan had zo'n grote piemel. Ongeveer als een winterwortel, maar een beetje slappig. Of hij gekookt was. Die winterwortel natuurlijk. Er stonden allemaal jongens van onze leeftijd naar te kijken en die waren zo kinderachtig aan het giechelen en rare opmerkingen aan het maken. Dat dat ding groter was dan die van hun vader, en zo. En toen werden ze door hun meester weggestuurd. Net goed. Wij lachen nooit om lullen en zulk soort dingen, maar het is soms toch wel grappig. Toen onze vader kwam kijken lagen de nijlpaarden naast elkaar in het zand. Enthousiast riep hij tegen onze mama, 'Moet je eens kijken wat een stukken!' 'He, zijn het allebei vrouwtjes' vroegen wij verwonderd. Toen barstte onze vader in zo'n hard gelach uit dat we ons er een beetje voor schaamden. 'Dat is nou een schitterend misverstand, jongens', zei hij. 'Ik bedoel stukken plastiek. Dat ze daar zo schitterend liggen alsof ze gebeeldhouwd zijn. Jullie vader praat toch nooit over vrouwen als over stukken. Zelfs niet over nijlpaardvrouwtjes. Van wie hebben jullie dat in hemelsnaam.'

Op Texel kan je een schapenredder worden, dat is helemaal niet zo bijzonder. Texelse schapen zijn eigenlijk te breed van boven, zo zijn ze gefokt, dan hebben ze zeker dikkere karbonaatjes. Als ze op hun zij gaan liggen en er is een kuil of greppel naast ze dan kunnen ze op hun rug daarin terechtkomen en dan zijn ze niet meer in staat om overeind te komen. Met grote angstige ogen liggen ze dan dom met hun stijve poten in de lucht te zwaaien. Het is eigenlijk wel een grappig gezicht. Ze noemen dat verwentelen. Maar als het lang duurt gaan ze dood. Ze kunnen niet plassen en dan vergiftigt hun pis hun lichaam helemaal van binnen. Dat heeft een boer ons verteld. Onze vader heeft er wel eens een dood gevonden met een uier die zo vuurrood was als een aardbei. Zo'n grote aardbei dat je er wel een kruiwagen slagroom bij zou moeten hebben. Van ons vierde jaar af redden we verwentelde schapen. We hebben er samen wel een stuk of acht gered. Als we over het eiland rijden en er ligt een schaap op zijn rug stuurt onze papa ons over het hek het weiland in. 'Daar ligt weer een crapaudje met z'n poten omhoog', zegt hij dan. Toen we klein waren vonden we het eng, zo'n trappelend beest met van die grote angstogen. Maar onze papa riep dan, 'Vooruit, Argonauten!' Dat zei hij door het verhaal van Jason en het Gulden Vlies dat onze mama ons had voorgelezen. Maar nu vinden we het lollig. We rennen om het hardst wie er het eerste bij is. Dan samen duwen tegen die wolzak, en pats, daar staat ze op haar stijve poten en rent blatend weg. Ze, want het zijn allemaal dames. Dit zijn dus wel stukken. Laat onze vader het maar niet horen.

Deze hebben we heel lang geleden gehoord van een vriend van onze ouders. Een man woonde met zijn oude moeder en een kat op de bovenste verdieping van een torenflat. Toen hij met vakantie ging vroeg hij aan zijn vriend of die zolang op zijn kat en zijn moeder wilde passen. Toen die vriend kwam met zijn koffertje met pyjama en tandenborstel ging de man weg. Zo nu en dan stuurde hij een ansichtkaart naar huis. Maar een vakantie gaat gauw om en toen hij weer terugkwam en zijn vriend de deur opendeed was het eerste wat hij vroeg, 'En hoe gaat het met de kat?' 'Die is van het balkon gesprongen', zei de vriend. 'Wat vreselijk! Maar had je me dat niet wat aardiger kunnen vertellen, dat ik er een beetje op voorbereid was. Bijvoorbeeld, ik zat op het balkon en pakte mijn jojo... '

'Daar is wel wat voor te zeggen', zei de vriend. 'Hoe gaat het met mijn moeder', vroeg de man. 'Nou, ' zei de vriend, 'ik zat op het balkon en ik pakte mijn jojo... '

Jullie snappen hem wel, he. Die moeder is dus ook van het balkon gesprongen. Hier op Texel heb je gelukkig geen torenflats.

    • Jan Wolkers