Verhuld en versluierd; Twintig jaar moderne Sovjetkunst inhet Stedelijk Museum

Op de tentoonstelling Binnen de USSR en Erbuiten zijn kunstwerken te zien die lange tijd niet toegankelijk waren voor het publiek in de Sovjet-Unie. Nu kunnen de vroegere 'onofficiele' kunstenaars dank zij de perestrojka doen wat ze willen. Hun werk heeft vooral succes in het Westen, al blijkt uit de expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam dat er voorlopig niets vernieuwends uit de Sovjet-Unie is te verwachten. 'De avantgardistische uitdrukkingsvormen waar deze kunstenaars zich van bedienen zijn bekend.'

Op het eerste gezicht lijkt de tentoonstelling in het Stedelijk Museum van moderne kunst uit de Sovjet Unie vooral een hommage te zijn aan de verscheidenheid van deze kunst. Juist dit 'pluralisme', zoals het heette, was een van de redenen om kunst die niet behoorde tot de categorie van het socialistisch realisme ontoegankelijk te maken voor het publiek. Dwalend door de museumzalen kom je van alles tegen: neo-suprematistische composities, Pop Art-achtige schilderijen, installaties, conceptualistische kunstwerken, tot en met schilderijen in de geest van het Postmodernisme.

Binnen de USSR en erbuiten, met werken uit de periode 1970-1990, is de eerste grote presentatie van moderne kunst uit de Sovjet Unie in ons land. Eindelijk is hier dan de 'verboden' kunst waarvan we wisten dat die bestond maar waarvan we slechts sporadisch iets te zien kregen kunst die het verzet tegen de partij-ideologie en tegen de onderdrukking van individuele vrijheid symboliseert en daardoor, al is het door de makers ervan niet zo bedoeld, omgeven is door een sfeer van heroiek.

Tot ongeveer vier jaar geleden leidden de meeste exposanten in het Stedelijk een dubbelleven: overdag werkten zij als grafici, illustratoren (zoals Ilja Kabakov en Erik Boelatov), decor-ontwerpers, of socialistisch-realistische schilders aan opdrachten en 's avonds werkten zij aan wat zij beschouwden als hun eigenlijke kunst. In hun ateliers kwamen zij bijeen om elkaar hun werk te tonen en erover te discussieren. Een kunstwerk dat door niemand gezien wordt, bestaat immers in feite niet. Maar de tijden zijn veranderd. De scheiding tussen 'officiele' en 'onofficiele' kunst vervaagt, de kunstenaars kunnen doen waar ze zin in hebben, al zijn de expositie-mogelijkheden in eigen land nog steeds gering. Deze tentoonstelling van kunst die nog maar zo kort geleden 'ondergronds' was, is georganiseerd in samenwerking met het Ministerie van Cultuur van de Sovjet-Unie.

De directeur van het Stedelijk Museum Wim Beeren legde er in zijn persconferentie de nadruk op dat het geexposeerde een persoonlijke keuze van hem is. Het gaat om werken van 28 kunstenaars uit Moskou, Leningrad en Kiev. De oudste van hen, Vladimir Nemoechin, is geboren in 1925, de jongste, Afrika (pseudoniem van Sergej Boegajev) in 1966. Enkelen emigreerden in de jaren zeventig: het duo Komar en Melamid ging naar New York, en Oleg Tselkov naar Parijs. Maar de meesten wonen in de USSR, al brengen zij steeds meer tijd door in het Westen. Een op zichzelf staand onderdeel in het geheel is de expositie Naar het object die enkele maanden geleden in Moskou werd georganiseerd door jonge Russische kunsthistorici en die door Beeren als een 'ready made'-tentoonstelling werd overgenomen. Naar het object illustreert aan de hand van kleine kunstvoorwerpen de ontwikkeling van de kunst in de Sovjet-Unie tussen 1960 en 1990.

Ik twijfel er niet aan dat Beeren een persoonlijke keuze heeft gedaan. Maar wie catalogi van tentoonstellingen van Sovjetkunst in het Westen uit de afgelopen paar jaar doorbladert, komt steeds dezelfde namen tegen alsof het maar een klein groepje is waar het allemaal om draait. Een belangrijk deel van de geexposeerde werken komt dan ook niet uit de ateliers in Rusland, maar uit galeries en prive-verzamelingen in Zwitserland en Amerika, en uit de Sammlung Ludwig in Aken. Dit komt ook doordat de belangstelling van Westerse verzamelaars voor Sovjetkunst overweldigend is, terwijl de kunstenaars hun werk in eigen land door allerlei belemmerende voorschriften en door de wisselkoersen nauwelijks kunnen verkopen.

Er zit een wrange ironie in de situatie: nu de avantgardisten van weleer de vrijheid krijgen om hun werk in eigen land te tonen, verdwijnt alles naar het buitenland, opgeslokt door de Westerse euforie over alles wat met Perestroika te maken heeft en door de onverzadigbare Westerse kunstmarkt. De kunstenaars krijgen nauwelijks de kans zich te bezinnen op alle ontwikkelingen. Bij sommigen is zelfs al een zekere nostalgie te bespeuren naar de saamhorigheid van vroeger, toen het iets heldhaftigs had om een dissident kunstenaar te zijn. Die heroiek is voorbij en degenen die zich niet kunnen redden zijn gedwongen een 'gewoon' baantje te nemen. Het is een beetje zoals je bij ons wel eens mensen over de oorlog hoort praten. Je bespeurt er soms iets in van heimwee naar een tijd waarin er echte kameraadschappelijkheid was, en waarin er iets te bevechten viel.

Malevitsj

Misschien komt het doordat mijn verwachtingen te hoog gespannen waren, doordat ik hoopte iets nieuws of onbekends te zien, dat de expositie mij teleurstelt. Misschien ook was een andere selectie van kunstenaars mogelijk geweest, of hadden er van deze kunstenaars betere werken gekozen kunnen worden, maar dat kan ik niet beoordelen. Hoe het ook zij, deze expositie doet vermoeden dat er voorlopig van de Russische kunst niet iets vernieuwends te verwachten valt.

De avantgardistische uitdrukkingsvormen waar deze kunstenaars zich van bedienen zijn bekend. Edik Sjtejnberg (53) houdt als leerling van een leerling van Malevitsj de herinnering aan de revolutionaire Russische kunst uit het begin van deze eeuw levend. Hij schildert suprematistische composities van strepen, cirkels, rechthoeken en kegels zwevend over het vlak. Anders dan Malevitsj gebruikt Sjtejnberg ijle pasteltinten: zachtgroen, mauve, zachtgeel, grijs. De schilderijen hebben iets bloedeloos, het is alsof het de schilder (afgezien van het verschil in kleurstelling) vooral te doen is om het suprematistische 'jargon', en soms zijn de composities zo direct aan Malevitsj ontleend dat je je afvraagt of het ironisch bedoeld is (wat, gezien zijn uitspraken, niet zo schijnt te zijn).

Ook de vormtaal van Francisco Infante (47) is op Malevitsj geinspireerd, al past hij die anders toe. Zo maakt hij van spiegels suprematistische constructies en fotografeert die. Meer dan eens figureert hierin het Zwarte Vierkant. Zijn werk doet denken aan de Zero-kunst uit de jaren zestig. Vladimir Nemoechin (65) combineert kubistisch aandoende collages van speelkaarten met de sneden in het doek van Fontana. Nemoechin zegt dat speelkaarten hem alleen om hun vorm interesseren, maar zijn collages hebben toch een sombere noodlotssfeer, het Fatum is er in aanwezig, net als bij het kaartspel.

Het werk van Vitali Komar (47) en Alexander Melamid (45) is conceptueel van aard. Zij schilderden zestig vrijwel identieke landschapjes onder wisselende weersomstandigheden. Het idee was afkomstig van de schilder Nikolai Boechoemov, die in 1917, toen hij 26 was, besloot om gedurende de rest van zijn leven, dat hij doorbracht op het land, ieder jaar een keer per seizoen, de plek te schilderen waar hij geboren was, midden in het veld. Boechoemov droeg een ooglapje, en daarom schilderden Komar en Melamid telkens een deel van zijn neus naast het landschap: Boechoemov kon immers niet om zijn neus heen kijken. Tijdens een lezing die het duo gaf in 1988 gaf in De Appel (Amsterdam) reciteerden zij een van hun Death Poems, waaruit dezelfde stemming van lusteloosheid en onmacht sprak die nu uit hun installatie naar voren komt.

'Leegheid' lijkt ook het thema te zijn van Sergej Volkov (34). Hij vervaardigde voor de tentoonstelling een serie monochrome doeken, getiteld de Kinder-cyclus, bestaande uit vijf tweeluiken. Omlijsting en doek horen bij elkaar, waarbij de kleuren elkaar volgens een bepaald ritme afwisselen.

Leningrad

Het werk van de jongste generatie kunstenaars uit Leningrad, van Afrika en Timoer, is prikkelender. Zij bedienen zich, in tegenstelling tot de meer intellectualistische kunstenaars uit Moskou, bij voorkeur van een figuratieve beeldtaal. Afrika bijvoorbeeld maakt gebruik van de propagandistische retoriek. Groot opgeblazen foto's van landbouwmachines en tractoren contrasteert hij met stukjes textiel die een klein huiselijk geluk lijken te symboliseren. Afrika heeft met deze collages in Amerika een overweldigend succes. Het raffinement en de ironie van Afrika zijn bij zijn stadgenoten, de 'Necrorealisten', ver te zoeken. Hun taferelen van afgehakte ledematen, kadavers en martelingen zijn nauwelijks serieus te nemen. Het lijkt niet de meest effectieve manier om aandacht te vragen voor de gruwelijkheden uit het Stalinistische tijdperk.

Bij de tentoonstelling Naar het object zijn de voorwerpen in een schipachtige kartonnen constructie kris kras door elkaar uitgestald, het lijkt wel een kraam met tweedehands spullen. Door 'patrijspoorten' kan de bezoeker er een blik op werpen. Overigens heb ik begrepen dat het beste deel van de collectie, al na de vorige expositie verkocht is naar het buitenland.

Veel kunstwerken verwijzen op de een of andere manier, meestal verhuld en versluierd, naar de politieke omstandigheden in Rusland. Deze versluiering, en niet de beeldtaal of de vorm, lijkt het meest typerend voor de Sovjet-kunst. Maar het probleem is dat dit verhullen voor buitenlanders vaak moeilijk te herkennen is. De teksten die Sjtejnberg op zijn doeken schrijft begrijp ik niet, evenmin als de literaire installatie van Prigov. De toespeling op het Zwarte Vierkant bij Infante fungeerde als een soort code, een verwijzing naar de held van de verzetskunst, maar voor een buitenlander heeft het die betekenis niet. Ook de installatie van Kabakov zit voor een Rus misschien vol met betekenissen maar mij ontgaan ze, alleen een sfeer van somberheid en apathie komt over. Het is een kunst die meer literair dan visueel is.

Alleen Erik Boelatov (57) slaagt er in door middel van beelden een inhoud over te brengen. Ik beschouw zijn werk als het hoogtepunt van de expositie. De socialistische symbolen leuzen, hamer en sikkel, glorende dageraad verwerkt hij tot grote hyperrealistische schilderijen. Boelatov is een vertegenwoordiger van de 'Sots art', de Sovjet-variant van Pop Art. Bij Boelatov schallen de bazuinen je tegemoet, de kleuren stralen van het doek. Ferme mannenhanden dragen de letters Perestroika, en de wereldbol met zonsopgang van het Sovjet staatssymbool verdwijnt bij een prachtige avondlucht in zee. Boelatov hanteert de beeldtaal van de socialistische propaganda als een wapen, zijn schilderijen zijn, in al hun directheid en schaamteloosheid, prachtig.

Een schilderij valt enigszins buiten de expositie omdat het anders is dan alle andere. Het is het eerste schilderij, een 'Landschap met paard' uit 1976 van Zaven Arsjakoeni (58). Beeren zag dit schilderij een paar jaar geleden in het depot van het Russisch Museum in Leningrad en het inspireerde hem, zo zei hij, tot deze expositie. Het is een mooi, stil beeld van een dorpstafereel, geschilderd in kubistische trant. Toen ik dit zag realiseerde ik mij wat ik mis in de moderne Russische kunst: in geen enkel werk, met uitzondering van dit landschap, zit iets van intimiteit, van een eigen, besloten wereld, van een persoonlijke ervaring of sfeer. Ik vraag mij af of de Russische autoriteiten er dan toch in geslaagd zijn om dat uit te bannen. En hoe lang zal het dan duren eer het terug komt?

    • Janneke Wesseling Binnen de Ussr
    • M 21 Oktober te Zien op de
    • Stedelijk Museum
    • Vadim Zacharov
    • Joeri Albert
    • Drie Kunstenaars