VAN OEGSTGEEST NAAR OROKOLO

Hing er vroeger bij ons in de hal een ophanghaak met vrouwelijke voorouderfiguur van de boorden van de Sepikrivier in Nieuw-Guinea waar ik mijn natgeregende cape of van de smeltende sneeuw druipende wanten aan kon ophangen als ik uit school kwam? Geenszins. Tegen de muur was een eikehouten kapstok bevestigd met koperen haken die mijn vader tijdens zijn dienstijd, waarschijnlijk om de verzoekingen des vlezes te weerstaan, want ledigheid is des duivels oorkussen, met gutsen en beiteltjes in zielloze kunstvaardigheid met plantaardige motieven bewerkt had.

Kromde de heer des huizes zich van tijd tot tijd in woeste vervoering over een spleettrom uit het Ramu-gebied om de groeikracht der natuur in betoverende ritmen op te wekken? Allerminst. Op zijn best roffelde hij, als hij een goeie bui had, niet onverdienstelijk in strikt marstempo op een ledig Verkadekoekblik alsof de plaatselijke harmonie op volle sterkte uitgerukt was en de opgespannen ezelsvellen beukte ter ere van vorstin en vaderland. Vond ik mijn moeder, als ik 's middags de kamer inkwam voor de thee, in schamele kledij gezeten op een ceremoniele geestenstoel terwijl mijn zusters, blootsborsts, lustig om haar heen lagen en ongedwongen onder hun schaamschortjes krabden? Onwaarschijnlijker dan het stilstaan der planeten. Mijn moeder zou van schaamte ter plekke gemummificeerd zijn. Ze zat op een gedegen namaakbiedermeier crapaudje als op een peluwtje van mollig mos en mijn zusters zaten er in alle kuisheid omheen op stoven en bankjes, veilig met de knieen tegen elkaar, in ordentelijke confectiekleding die sinds de zondeval verstrekt lijkt te worden aan het beschaafde deel der mensheid. Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Ging mijn vader zondags slechts gekleed in de Heilige Schrift en een peniskoker ter kerke? Het zou verre van hem geweest zijn. Het onberispelijke driedelige Peek en Cloppenburgkostuum was maar net goed genoeg om in het gewijde huis Gods voor de Heer der Heirscharen in alle ootmoed te verschijnen.

Krijgstooi

Hoe kwam het dan dat ik, vanaf de eerste keer dat ik op twaalfjarige leeftijd het Museum voor Volkenkunde te Leiden betrad, vervuld raakte van wat men toen amper 'primitieve kunst' noemde? Hoe was het mogelijk dat zo'n gereformeerd schlemieltje tussen de chocoladebruin geverfde gipsen Toradja's in krijgstooi, de betelpruim kauwende Menangkabouwer met een gebit als van gesmolten drop, de diorama's van berghellingen waar op de sawa's de rijst geoogst werd en al die overvolle vitrines met gereedschappen die bij de verscheidene cultures gebruikt werden, zonder leidsman of enige kennis de bezielde scheppingen ontdekte van Afrikaanse en Melanesische volkeren, die daar slechts aanwezig schenen te zijn om de rechtschapen student indologie te waarschuwen voor de duistere duivelse verschrikkingen en afgodische perversiteiten van het heidendom waarin hij met zijn lelieblanke ziel zou kunnen verdagen. Ik speelde wel eens met de gedachte dat ik onbevlekt ontvangen moest zijn door toedoen van een zwarte zendeling van de Zendingsschool, die met atletische opgewektheid door ons saaie dorp fietste, een zwarte Hermes en de enige christen in mijn omgeving die er innemend en beschaafd uitzag en die soms, alsof hij alle zuinige sacherijnigheid van die kwelgeest van een Calvijn van zich af wilde schudden, met volle teugen lachte alsof de morgenstond ivoor in de mond had gehad. Maar mijn huid was te blank om te veronderstellen dat ik mijn obsessie voor die fantastische scheppingen, die een magie uitstraalden alsof ze onder stroom stonden, met het vaderzaad naar binnen had gekregen.

En op de tentoonstellingen die van tijd tot tijd op school in het gymnastieklokaal ingericht werden, in een labyrint van wankele schermen van atap, over de heilzame en zegenrijke arbeid der zending onder het gruwelijk heidendom, was geen kunstwerk te zien. Slechts voorwerpen van brave huisvlijt waarvan men kon vermoeden dat de patronen afkomstig waren van de naairubriek uit Het Christelijk Vrouwenleven en foto's van in de duisternis van het mannenhuis bij elkaar kleumende menseneters, verschrompelde norse gezichten waarvan duidelijk viel af te lezen dat mensenvlees taai is en dat het wachten was op het zondeloze manna der blanken. En dat scheen ook zo te zijn. Want op de volgende foto's zag je de scharminkelige antropofaagjes reeds netjes in de kleren ter kerke gaan, zonder Adams rib als knauwbot, alsof ze door een deus ex machina in de miniemste sluitertijd bekeerd waren. Alsof ze, nu ze een God hadden die zei, 'Neemt, eet, dit is mijn lichaam' het verorberen van het aan stukken gehakte karkas van hun buurman moeiteloos hadden ingeruild voor het nuttigen van het bijkans gewijde menu van aardappelen en groente met jus.

Toen ik een paar jaar later ging tekenen en schilderen liep ik vaak met mijn schetsboek het museum in en probeerde het geheim van die beelden en schilden en maskers te ontraadselen. Wat bleef eraan ontbreken als je alles zo getrouw mogelijk had weergegeven? Was het een geloof in mysterieuze krachten dat in het sombere regenwoud een gewillige voedingsbodem vindt of moest je van eenvoudige yamwortels en larven leven en geen Delmonte-zalm op zondag tot je nemen of wittebrood van Jamin. Misschien moest je er wel mensenvlees voor eten, want waren de papoea's ook niet hun creatieve kracht kwijt zodra ze het koppensnellen verwisselden voor het bidden van het Onze Vader? Ik weet niet meer of ik in die tijd uit artistieke noodzaak watertandend naar de mollige welvingen van mijn zusters gekeken heb maar tot een Swiftiaans Modest Proposal is het in ieder geval niet gekomen. En toen ik eens teleurgesteld naar zo'n tekening keek waarin ik niets van de magie kon ontdekken die ik ontwaarde toen ik aan het schetsen was, keerde ik resoluut het papier om, kleedde me uit en tekende de oerhollandse jongen die ik daar voor me in de spiegel zag.

Dat lukte me beter, zo'n boerenlulletje in adamskostuum en voldaan en trots hing ik hem aan de wand. Maar toen mijn vader op een keer onverwachts mijn kamer kwam inspecteren, keek hij verbolgen naar zijn zoon in de staat van ongekerstend inboorling. Zonder een woord vuil te maken aan die openhartige voorstelling haalde hij de punaise uit het papier, draaide de tekening om en hing hem op alvorens goed in ogenschouw te nemen wat hij daar nou weer aan het daglicht blootstelde. Wantrouwend keek hij even naar de schetsen van negerplastieken met pikken als hamerstelen, maar dat was in ieder geval niet zijn eigen vlees en bloed, zal hij gedacht hebben. Daar behoefde hij zich daarboven bij de voleinding der tijden niet voor te verantwoorden.

Leidsestraat

In 1955, toen ik net aan de beeldhouwafdeling van de Rijksakademie in Amsterdam afgestudeerd was, kwam ik op een keer langs de zaak in etnografica van Lemaire, die toen nog in de Leidsestraat huisde. In de etalage stond een klein Dogonbeeldje dat ik zo mooi vond, dat ik het niet kon laten naar binnen te gaan om te vragen hoe duur het was, hoewel ik in de contraprestatie zat en vijfenzeventig gulden per week uitgekeerd kreeg. Een rijzige broze man met een lang smal gezicht, dat enige gelijkenis vertoonde met een houten gevelmasker van een mannenhuis uit het Sepikgebied, dook op uit het duister van een achter de winkel gelegen ruimte. Meneer Lemaire zelf, een van de belangrijkste handelaren in etnografica ter wereld.

Het Dogonbeeldje bleek driehonderdvijfenzeventig gulden te kosten, een vermogen in die tijd, zeker voor een contraprestant. Toch haalde hij het met een zekere plechtigheid uit de etalage en stelde het mij ter hand. Toen hij zag dat mijn handen trilden en met hoeveel nobele hebzucht ik het magische voorwerpje bekeek, begreep hij dat er iets gebeuren moest om mij niet diep ongelukkig herwaarts te laten gaan. Toen hij hoorde van mijn karig loon, stelde hij voor dat ik twee keer per maand tien gulden zou betalen, dan was het in anderhalf jaar mijn eigendom.

Maar al te graag ging ik op dat voorstel in, op voorhand al op van de zenuwen dat ik het beeldje aan het einde van het komende jaar in mijn bezit zou hebben. Maar hij pakte het meteen voor me in, zonder aanbetaling of geschreven verklaring dat ik me verplichtte twintig gulden per maand af te betalen totdat het gehele bedrag voldaan was. Ik kon het zo meenemen. Ik heb hem geloof ik omhelsd, hoewel het daar de man niet voor was, want hij had een aristocratische afstandelijkheid. En nog steeds vind ik het een grootse daad, want hij was zuinig van aard en kon toen beslist nog niet bevroeden dat het armoedzaaiertje daar voor hem binnen tien jaar een van z'n belangrijkste klanten zou worden. En zo ben ik aan het eerste stuk van mijn verzameling gekomen, die in de loop der jaren zo groot zou worden dat hij mijn atelier en woonruimte uitgroeide en het me ter ruste begeven een bijna gymnastische prestatie werd omdat de neuzen der slurf- en stulpmaskers aan de wand boven mijn bed bijna mijn beddegoed beroerden en ik op een gegeven moment een vriendin van mij hoorde zeggen, terwijl ze in vrijerige schurkerigheid op me schoof, 'Lekker, die harde knokkels van je over mijn rug', terwijl ik met mijn handen onder mijn hoofd passief haar aanhaligheid lag te ondergaan.

In die tijd was ik zo bezeten, ja, bijna verblind zoals de komende gebeurtenis duidelijk zal maken, van de kunstvoortbrengselen van Nieuw-Guinea, dat ik een keer op een regenachtige herfstavond er een noodstop met mijn jeep voor maakte toen ik door een verlaten buitenwijk van Ouderkerk reed. Daar stond zomaar in de verlichte kamer van een onooglijk woninkje een prachtig ruigbeschilderd Asmatschild tegen de muur. Ik meende van die afstand zelfs de vindplaats te kunnen vaststellen. De bovenloop van de Undir-rivier. Alles was mogelijk in die tijd. Onze soldaten waren net met hangende pootjes teruggekeerd van de mislukte expeditie om het meest creatieve gedeelte van ons koninkrijk voor ons te behouden en er waren erbij die een kunstzinnig souvenir hadden meegenomen van dat zinloze avontuur. Op tochtige zolderkamertjes en in armelijke alkoven staken brokstukken van bisj-palen en voorstevens van kano's de ruimte in waarbij de kettingzaag dwars door de voorouders heen was gejakkerd. En jongens die van een onnozel gipsen heiligenbeeldje geen haar zouden krenken, laat staan het vierendelen met de schrobzaag waren in die tempels van bamboe en palmbladeren tekeergegaan als Noormannen in een karolingisch klooster. Gehaast parkeerde ik mijn auto en stak gulzig de straat over. Via het gazonnetje liep ik zo behoedzaam mogelijk over het grind naar het verlichte raam. Daar hing aan een klerenhanger tegen een kastdeur een maat vierenvijftig japon in een nogal woest dessin van aardkleuren. Voor een strijkplank stond, met haar rug naar mij toe, een forse boerenvrouw het volgende Asmatschild te strijken.

Obstakel

Niet lang hierna kocht ik bij Lemaire een spleettrom uit het Ramu-gebied die al jarenlang in zijn galerie op de Prinsengracht stond maar die niemand kon huisvesten omdat hij tweeeneenhalve meter lang was en die zelfs in mijn ruime atelier een obstakel zou vormen. Iedere keer als ik hem bezocht streelde ik het met magische voorstellingen schitterend bekerfde hout, en op een zonnige zomerdag, uit angst dat hij ineens verkocht zou kunnen worden, nam ik hem toch maar. Ik dacht, al moet ik hem naast me in bed planten, als hij weg is blijft hij mijn hele leven door mijn geest spoken. Toen ik met het gevaarte, dat schuin omhoog buiten mijn jeep torende, stapvoets door de Leidsestraat reed liepen er ineens tussen de bleke winkelende Amsterdammers drie papoea's. Als ik beweer dat ze, toen ze mij zagen, als aan het trottoir genageld bleven staan, zegt dat niet zo veel. Ze stonden bladstil, bevroren, alsof de film stilgezet was. En hun opengesperde ogen staarden naar die ongelofelijke verschijning zoals een westerling zou staren, in starre verbazing, als hij door blanken onbetreden gebied in het binnenste ingewand van Nieuw-Guinea, bij het binnengaan van een klam hutje van staken en palmbladeren, een papoea achter een tekstverwerker zou zien zitten.

Als ik een schilderij van Cezanne of Chardin wil bekijken, zal ik naar een museum moeten gaan, als ik de fresco's van Massaccio wil bewonderen, is een reis naar Florence onvermijdelijk. Als ik van de bouwkunst en beeldhouwkunst van de middeleeuwen wil genieten, zal er een tocht naar Reims en Chartres in het verschiet liggen, wanneer ik de mooiste reliefs die de boeddhistische kunst heeft voortgebracht in ogenschouw wil nemen, zit er niets anders op dan het vliegtuig naar Java te nemen en de Borobudur te bezoeken, maar de kunst van Oceanie en Afrika omringt mij dagelijks. Van de ochtendschemering tot de duisternis glijdt mijn blik als het zo uitkomt over Basonge- en Senufo-maskers, over Sulka- en Asmat-schilden en over schilden van Nieuw-Brittannie, maskers uit het Orokolo-gebied, Dogonbeeldjes en beeldjes van de monding van de Sepik-rivier en van het eiland Nias. Ongetwijfeld zal men zich nu afvragen of er in de hal van mijn huis een ophanghaak met vrouwelijke voorouderfiguur van de boorden van de Sepikrivier hangt waar mijn jongens hun natgeregende jassen of van de smeltende sneeuw druipende wanten aan op kunnen hangen als ze uit school komen. Dat is inderdaad het geval. Kromt de heer des huizes zich van tijd tot tijd in woeste vervoering over een spleettrom uit het Ramu-gebied om de groeikracht van de natuur in betoverende rimten op te wekken? Dat gebeurt nogal eens. Vind ik de vrouw des huizes, als ik 's middags de kamer inkom voor de thee, blootsborsts en in schamele kledij gezeten op een ceremoniele geestenstoel? Ze zou er niets op tegen hebben maar ze vreest dat op den duur, van mijn kant, gewenning tot ontkenning zou kunnen leiden. Gaat de heer des huizes des zondags slechts gekleed in een peniskoker ter kerke. Maar al te graag zou hij dat doen, maar hij heeft nog steeds geen passende maat peniskoker kunnen bemachtigen. De kleinere maten schijnen steeds sneller uitverkocht te raken.

De expositie Magie en meesterschap in het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam is te zien t/m 18 februari, di t/m za: 10-17u, zo: 11-17u. Inl. 010-4111055.

    • Jan Wolkers