Twee exposities over een eilandje bij Batavia; Onrust in eenzee vol haaien

De bewoners van het eiland Onrust voor de kust van Batavia waren eigenlijk altijd al min of meer gevangenen. Degenen die er in de zeventiende eeuw voor de VOC schepen bouwden mochten maar twee keer per jaar naar het vasteland, later werden er patienten met besmettelijke ziekten in quarantaine gehouden en nog later diende het eiland als concentratiekamp voor NSB-ers. Aan het eiland Onrust en zijn geschiedenis is op het ogenblik in Amsterdam een kleine tentoonstelling gewijd.

Op een dag in 1939, nadat de havenarts van Tandjong Priok, L. J. A. Schoonheyt, op inspectie was geweest in de Baai van Batavia, passeerde de motorboot op de terugweg een klein atol; zij voeren het binnen en 'Schoonheyt, altijd de kans waarnemend om te zwemmen, dook in het helblauwe water van de lagune, ' aldus Anthony van Kampen in zijn biografie van Dr Schoonheyt, Een kwestie van macht, (Unieboek Bussum 3e dr 1977). 'Na de zwempartij gingen ze rustig aan de kant zitten zonnen, benen in zee bengelend. Aan dit intermezzo kwam een abrupt eind, toen ze een haai van zeker drie meter lengte met de snelheid van een torpedo op zich af zagen komen, kennelijk gelokt door de witte benen der mannen.' De veronderstelling dat het ondiepe water boven de drempel van het atol haaien zou beletten de lagune binnen te zwemmen was blijkbaar onjuist.

In de Baai van Batavia wemelde het van de haaien. Dit feit speelt een zekere rol in de geschiedenis van het eiland Onrust, het voornaamste eiland in de baai en in Schoonheyts tijd in gebruik als quarantainestation. Van Kampen citeert Schoonheyt hierover: 'Op een keer moest ik, nadat op een naar Indie teruggekeerd hadjischip pokken waren uitgebroken, naar het quarantaine-eiland Onrust... Op Onrust waren deze mensen in van tralies voorziene barakken geisoleerd onder het toeziend oog van de tot Nederlander genaturaliseerde Duitse beheerder Steinfurth. Wat ik zag vond ik maar somber, een uitermate triest tafereel. Deze patienten waren gevangenen. Ik had er geen idee van dat de dag niet ver meer was waarop ik zelf alles met dat oord met die getraliede barakken te maken zou krijgen.'

Trap

Aan het eiland Onrust en zijn geschiedenis is op het ogenblik in Amsterdam een buitengewoon interessante zij het kleine tentoonstelling gewijd. Helaas. Zoals bekend erger ik me aan ongeveer alles in Holland, dus wie dat wil kan het aan mijn vooroordelen toeschrijven, maar ik vind de manier waarop deze tentoonstelling is georganiseerd weer een voorbeeld van iets dat alleen maar in ons nationale gekkenhuis mogelijk is. Immers wat is gebeurd: de toch al piepkleine tentoonstelling is verdeeld over twee musea. We hebben over dit fascinerende onderwerp maar betrekkelijk weinig materiaal, zo moeten de wakkere Bataafse museologen geredeneerd hebben, er is eigenlijk niet genoeg om een zaal mee te vullen, dus weet je wat? We splitsen het weinige dat we hebben in tweeen: een deel exposeren we achter de trap in het Amsterdams Historisch Museum en een ander deel in de vestiaire van het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Briljant idee! riepen toen de anderen, maar je vergeet nog wat: denk er om dat op geen van beide locaties de bezoeker over het bestaan van de andere helft van de tentoonstelling wordt ingelicht.

Voor een helderziende is het een peuleschil: als hij in het Amsterdams Historisch Museum de oude schilderijen en kaarten van Onrust bekijkt komt hij spontaan op de gedachte dat een met veel liefde en kennis van zaken gemaakte maquette van het eiland, gebaseerd op reconstructies van de historici Bonke, Kist en Wagenaar, enkele kilometers daarvandaan te bezichtigen moet zijn in het Tropeninstituut.

Wat schuilt hier achter? Een stammenoorlog? Wederzijdse pesterij tussen museale potentaten? Ontaarde academische verschillen van mening? Of gewoon Nederlandse onverschilligheid?

Enfin, een fascinerende tentoonstelling blijft het. Het piece de resistance en misschien het object dat de stoot heeft gegeven tot de hele expositie is een kortgeleden aangekocht Japans lakpaneel uit de 18de eeuw, het eiland Onrust voorstellend. Er is op weergegeven wat ook op die paar schilderijen en gravures (en op die maquette) te zien is: er heeft op Onrust in voorbije eeuwen een hele stad gelegen, met bastions, magazijnen, woonhuizen, molens, een kerk en werven waarop herstelwerkzaamheden aan grote schepen konden worden verricht. Voor dat laatste waren de kusten van de Baai van Batavia ongeschikt en de VOC had naar het schijnt al in 1615, nog voor de stichting van Batavia (1619), Onrust uitgekozen als plaats om grote schepen te repareren.

Een andere factor was vermoedelijk dat niet alleen de slaven maar ook de 'vrije' werklieden in dienst van de VOC praktisch gevangenen op het eiland waren eigenlijk was Onrust ook toen al wat het in de laatste jaren van het Nederlands-Indische bewind is geworden: een concentratiekamp. De mensen die voor de VOC werkten mochten maar twee keer per jaar naar het vasteland; de gevolgen laten zich raden. In de tekst behorend bij de expositie in het Amsterdams Historisch Museum (ook verschenen als artikel in het tijdschrift Antiek, jrg. 25: 2), wordt een ooggetuigeverslag geciteerd uit het begin van de 18de eeuw:

'Op zulke tijden lijkt het alsof er in Batavia een maskerade aan de gang is; massaal komen er vele Onrust-gasten, waaronder vooral veel lieden die per maand 20 tot 40 hollandse florijnen aan gage verdienen, aangezien de scheepstimmerlieden van de Edele Compagnie een zeer goed salaris hebben; en omdat ze daar eenmaal in de zoveel maanden een grote slag slaan, terwijl ze op hun eiland opgesloten worden gehouden en er zelden vandaan kunnen gaan, geeft het hun aanleiding tot uitspattingen bij ook maar het kleinste beetje vrijheid. Vaak komt het tot vechtpartijen, vooral wanneer ze een stang waarop iemand zit de hele stad rond dragen, en het verstand bedwelmd is geraakt door zoveel arak dat men zich erover verbaast.' (J. W. Heydt in 1739).

Nog een paar citaten: 'Voor zeven slaven uit Bali was de situatie erg genoeg om in 1709 een vluchtpoging te wagen. Midden in de nacht stalen ze een boot, maar hun vlucht werd ontdekt en de achtervolging werd ingezet. Bij de overmeestering op zee raakten 5 matrozen gewond. Justitiele autoriteiten werd 'ter examinatie derwaards gecommiteerd om aldaar selfs parate executie omtrent de delinquenten te doen.' Een werkelijk oproer brak uit in 1723. Het werd onderdrukt door 4 compagnieen soldaten, die bij donker aan land werden gezet 'om onnodig bloedvergieten te voorkomen'.'

Zwemmen

Het feit dat de geexposeerde schilderijen en gravures van Onrust vrijwel allemaal gemaakt zijn vanaf een ander eiland, het op korte afstand gelegen 'Kuyper', wordt eigenlijk pas goed duidelijk bij het bekijken van een luchtfoto van beide eilanden die is opgenomen in Van Heekeren: Batavia seint: Berlijn (B. Bakker 1967), maar helaas op geen der beide tentoonstellingen te zien (ondanks het feit dat deze foto afkomstig is uit het archief van het Koninklijk Instituut voor de Tropen). Wat die luchtfoto duidelijk maakt is hoe klein de eilanden waren en hoe dicht ze bij elkaar lagen; naar het schijnt kon men elkaar beschreeuwen. Ook de kust lag op een afstand die voor iemand in behoorlijke fysieke conditie gemakkelijk was te zwemmen. Waarom gebeurde dat dan niet? Ik vermoed vanwege de haaien. In het verleden waren de mensen maar zelden de zwemkunst machtig, maar dat gold niet voor Schoonheyt; het waren inderdaad de haaien die hem ervan weerhielden in zee te springen toen hij zelf als gevangene naar het eiland Onrust werd gebracht.

De stad van de schilderijen en de maquette bestond toen al lang niet meer: die was in 1800 door de Engelsen verwoest. Vanaf 1825 waren er marine-etablissementen gevestigd, vanaf 1856 zelfs met een drijvend droogdok, maar met de opkomst van Soerabaja namen die geleidelijk weer af in belangrijkheid. Op een tijdstip dat ik niet heb kunnen achterhalen werden op Onrust de quarantaine-barakken gebouwd die Schoonheyt beschrijft en waarin hij als NSB-er na 10 Mei 1940 geinterneerd heeft gezeten. Ze moeten in elk geval al bestaan hebben in 1933, want toen werden zij gebruikt om er de muiters van de Zeven provincien in op te sluiten.

Wie wil weten hoe het was om door Nederlanders geinterneerd te worden kan dat nalezen in de in het voorgaande genoemde boeken, Batavia seint: Berlijn en Een kwestie van macht. Alleen al de foto's spreken een bekende taal: niet te onderscheiden van de Japanse kampen, in sommige gevallen ook inderdaad dezelfde, zoals Ambarawa, waarin ook NSB-ers werden ondergebracht.

Het Nederlands-Indische Gouvernement maakt de indruk totaal zijn kop kwijt te zijn geweest. Zo werden behalve 150 Indo-nakomelingen van Duitsers en 40 sinds jaren in de rimboe gevestigde katholieke missionarissen ook Duitse joden geinterneerd, waarvan er verschillende juist naar Indie waren gekomen om aan de Nazi's te ontsnappen. Een van hen, Rudolf Fruhstuck, werd op Onrust door een sergeant van het KNIL doodgeschoten omdat hij zich op minder dan twee meter afstand van de prikkeldraadomheining bevond. Fruhstuck was een jonge jood, die van Duitsland naar Singapore was geemigreerd en vandaar naar Nederlands-Indie. Deze gebeurtenis, gedocumenteerd door Van Heekeren, wordt ook door Schoonheyt beschreven. De Duitse (Nazi-)regering heeft er zelfs nog over geprotesteerd, zoals ook over 'de arrestatie van de 'niet-arische' Dr W. in Soerabaja, die net in de badkamer was toen men hem kwam arresteren. Het werd de bijziende, oude man niet toegestaan zijn bril uit de kamer ernaast te halen, terwijl hij slechts zijn badjas mocht aandoen.'

Onrust is bij mijn weten nooit door de Japanners als interneringskamp gebruikt. Het eiland is geloof ik sinds die tijd voornamelijk aan zijn lot overgelaten; op het ogenblik is het begroeid en verwilderd. Op een recente luchtfoto is nog vaag hier en daar iets van bebouwing te zien: wat zou ik daar graag eens rondkijken. Eilanden spreken toch al zo sterk tot de verbeelding, en Onrust wordt bij mij wat dat betreft alleen maar overtroffen door Banda, een van de weinige plekken in Indonesie waar het Nederlandse verleden nog sterk aanwezig is. De tragische symboliek van Onrust is dan dat de sporen daarvan grotendeels zijn uitgewist, en dat de ruines die er nog liggen de overblijfselen zijn van een Nederlands concentratiekamp.

Maar om nog even in het domein van het grofstoffelijke te blijven en consequent door te denken: waar is die heiligheid gebleven? Wordt die geacht in het filter te zijn blijven zitten? Is 't verdampt? Trekt 't zich boos terug als je het water wilt zuiveren? Voelt 't zich dan beledigd? Wordt die heiligheid gezien als een stof, een soort fluide of iets dat intenties kan hebben? Hoe het brein van andere mensen werkt, in verband met dergelijke kwesties, dat is mij een groot raadsel. En meer in het algemeen het feit dat de mensen telkens weer een onzichtbare, niet waarneembare orde veronderstellen die zij belangrijker vinden dan de zichtbare werkelijkheid. Niet dit feit zelf vind ik overigens a priori futiel of belachelijk en er bestaat ook voor mij een manier om het zo te zien; dat is, om het zo maar te noemen, de manier van E. M. Forster.

    • Plannen 1615-1990. Tropenmuseum
    • M 21 Oktober. Onrust
    • M 1 Oktober
    • Rudy Kousbroek 'Onrust'