Indianenkunst

Door een hemelsblauwe ruimte zeilt een wild gezicht met rood en geel en blauw, en uitpuilende ogen: Kop heet het schilderij dat Anton Rooskens in 1968 maakte en dat nu in de Stadsgalerij van Heerlen hangt. Een portret kan je het niet noemen, tenminste niet van een mens: die felblauwe wangen en dat okergele oog zijn van niemand. Misschien is het een portret van een stemming, een portret van opwinding? Of van een tovenaar?

Kleine kinderen gebruiken zulke felle kleuren en wilde lijnen, vaak met een prachtig resultaat. Rooskens (die leefde van 1906 tot 1976) hoorde bij de kunstenaars die het bijzondere inzagen van primitieve kunst, dat wil zeggen de kunst van kinderen of indianen of bosnegers die niet officieel hebben leren tekenen en die niemand anders proberen na te doen. In deze eeuw werd de volwassen kunst daar opeens jaloers op, hoewel Nederland er laat bij was, pas na 1945. Anton Rooskens raakte toen op een tentoonstelling onder de indruk van voorouderbeelden en maskers uit Nieuw-Guinea, en ging meedoen aan COBRA. Zo noemden zich de schilders uit COpenhagen, BRussel en Amsterdam die in een Parijs cafe hun artistieke plannen maakten en dat een cobra natuurlijk ook een sissende slang uit het oerwoud dat kwam heel goed uit. Dat wilde en toverachtige hoort bij Rooskens. Staar eens een tijdje naar deze kop, dan loop je op een dag door een museum en zeg je achteloos: 'Kijk, daar hangt een Rooskens.'

Stadsgalerij, Raadhuisplein, Heerlen. Wisselende tentoonstellingen op nummer 19, open di t/m vrij 11-17 uur, za en zon 14-17 uur; de vaste collectie, en dus ook deze Rooskens, hangt in het Stadhuis op nummer 1, open ma t/m vrij 9-17 uur.