'Herindeling krijgsmacht zal niet van de grond komen'

DEN HAAG, 28 sept. De noodzakelijke herindeling van de krijgsmacht om nieuwe taken aan te kunnen zal niet van de grond komen. De organisatorische traagheid van de drie krijgsmachtonderdelen is daar debet aan.

Daarnaast is het achterwege laten van bestellingen van nieuw materieel het bezuinigingsmiddel bij uitstek. Het centrale apparaat in Den Haag tenslotte heeft te weinig greep op de drie 'onafhankelijke bedrijven': marine, landmacht en luchtmacht en geeft te weinig impulsen aan het denken over een nieuwe indeling van die toekomstige krijgsmacht.

Dat zei prof.dr. J. G. Sicama op het symposium 'De toekomst van de Nederlandse defensie', dat gisteren op het Instituut voor internationale betrekkingen Clingendael, werd gehouden. Hij noemde defensie een karkas binnen de overheid waaraan met hartelust wordt geplukt. Sicama, wetenschappelijk onderzoeker van het instituut, voerde als argumenten voor zijn sombere stelling aan dat het dreigingsbeeld verward is geworden, de Partij van de Arbeid zich wil profileren door op defensie meer te bezuinigen en het ministerie een slinkende onderhandelingspositie binnen het overheidsapparaat heeft gekregen. In 1954 was nog 22,5 procent van de totale rijksuitgaven voor defensie bestemd; in 1988 iets minder dan 7,5 procent.

De mogelijkheden voor nieuw beleid noemde Sicama klein omdat van de post lonen en salarissen een relatieve starheid uitgaat en de besparingen op materieel voorlopig laag zullen zijn. De wapenakkoorden in Europees verband zullen voor Nederland nog geen grote gevolgen hebben. De marine valt buiten die reducties en krijgt mogelijk nieuwe taken. Sicama is voorstander van uitbreiding van het korps mariniers en korps commando's en oprichting van een luchtmobiele brigade.

Hij vraagt zich af waarom de regering in crisistijd niet gemakkelijker een beroep kan doen op de transportcapaciteit van koopvaardij en nationale luchtvaartmaatschappijen. Bescherming van de aanvoerroutes op de Atlantische Oceaan acht hij minder een taak voor de Nederlandse marine, evenals de onderzeebootbestrijding. Ook voor enkele resterende Nederlandse onderzeeers ziet hij nauwelijks nog een taak.

Na Sicama voerden oud-generaals en admiraals het woord. Gewapend met omvangrijke verlanglijsten toonden zij zich vooralsnog niet bereid veel in te leveren. De marine vroeg bij monde van vice admiraal b.d. mr. J. Hulshof om amfibische transportcapaciteit en grotere helikopters. Nieuw te bouwen schepen zullen kenmerken van de vroegere kruisers moeten hebben. De Marine, aldus Hulshof, kan geen taken opgeven omdat dan kostbare expertise verloren gaat.

Luitenant-generaal b.d. W. Loos noemde het noodzakelijk dat een toekomstige landmacht snel, licht en mobiel zou kunnen opereren maar ook nog in staat moet zijn een 'fikse lel' uit te delen. Commando's zouden niet alleen moeten verkennen en vernietigen achter vijandige linies niet alleen hun kijker en springstof gebruiken maar met 'het mes tussen de tanden' ook in staat moeten zijn gijzelaars te bevrijden. Voor de snelle acties van de toekomst heeft de landmacht een grote luchttransportcapaciteit nodig en gevechtshelikopters.

Generaal-majoor b.d. J. Spiegelenberg was bereid om wegens de bezuinigingen enkele vredeslokaties van de luchtmacht op te geven. Ook toonde hij zich voorstander van het samenvoegen van opleidingscentra en logistieke eenheden van de drie krijgsmachtdelen. De luchtmacht moet wegens een Nederlandse taak voor crisisbeheersing beschikken over een betere luchttransportcapaciteit. De huidige, kleine vloot is 35 jaar oud. Ook wil generaal Spiegelenberg dat de luchtmacht in de toekomst kan beschikken over vliegende tankers zodat zowel de jachtvliegtuigen als transportoestellen langer in de lucht kunnen blijven.