Grote steden moeten agglomeratieplan nu invullen

DEN HAAG, 28 sept. Ruim dertig jaar lang hebben ambtenaren, staatssecretarissen en ministers van binnenlandse zaken gestudeerd op en geexperimenteerd met allerlei vormen van bestuurlijke samenwerking tussen grote en kleinere gemeenten. Met gevolg dat er op dit ogenblik, op basis van de weinig soepele Wet gemeenschappelijke regelingen van 1984, een patroon van gemeentelijke samenwerkingsorganen bestaat dat bijna het gehele land bedekt.

Vele van die gewesten, samenwerkingsverbanden en gemeentekringen functioneren heel harmonieus en redelijk, maar andere, vooral in de grootstedelijke gebieden, niet of nauwelijks. Als natuurlijk gegeven bestaat er immers altijd een geweldige spanning tussen grote steden en randgemeenten die elkaar weinig ruimte bieden.

Het treffendste voorbeeld daarvan levert het in 1964 ingestelde en in 1986 weer opgeheven openbaar lichaam Rijnmond, waar het maar niet lukte om de band tussen Rotterdam en de vijftien andere gemeenten in het Waterweggebied hecht en duurzaam te smeden.

Hoewel door het fiasco van Rijnmond het enthousiasme over adequate bestuurlijke constructies voor de agglomeratiegebieden sterk was verminderd, ging Binnenlandse Zaken daartoe aangemoedigd door de besturen van de vier grote steden en door de Tweede Kamer toch door met zijn geploeter. Met als gevolg dat staatssecretaris De Graaff-Nauta en minister Dales van binnenlandse zaken gisteren de kabinetsnota 'Bestuur op hoog niveau' die een definitieve regeringsreactie op het rapport van de commissie-Montijn vormt, aan de Tweede Kamer konden sturen.

Volgens mr. G. J. Jansen, directeur-generaal openbaar bestuur van Dales' departement, betekent dat werkstuk een doorbraak. 'We zijn er eindelijk uit', zegt hij. En minister Dales: 'De tijd van allerlei blauwdrukken en zuiver theoretische discussies is voorbij', want er is nu echt een bestuurlijk model waarmee 'de, voor een deel al verdwijnende authentieke, economische en culturele functie van de grote stedelijke gebieden' kan worden gehandhaafd.

Wat Dales en De Graaff-Nauta met hun nota willen is op zich vrij duidelijk. Nog lang niet duidelijk is hoe zij het krachtige bestuur voor de zeven stedelijke gebieden rondom de grote steden een democratisch karakter willen geven bij de taken op het gebied van ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, verkeer en vervoer, milieubeheer, natuurbescherming, economische ontwikkeling, arbeidsmarktbeleid en grootschalige voorzieningen op cultureel en recreatief gebied.

Omdat de bewindslieden van binnenlandse zaken, moderne opvattingen als ze hebben, van mening zijn dat er in de regio's Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven/ Helmond, Arnhem/ Nijmegen en Enschede/ Hengelo niets van bovenaf mag worden opgelegd en alles heel pluriform en gedifferentieerd moet toegaan, wordt dat opengelaten en moeten de bestuurders van die gebieden het democratisch gehalte maar zelf invullen.

Treuzelen mogen ze echter niet. Ze krijgen weinig respijt van het rijk. Binnen een half jaar moeten ze met concrete bestuurlijke plannen voor hun agglomeraties voor de dag komen. Die zullen dan door het rijk grondig op hun effectiviteit en efficiency worden getoetst. Bovendien wordt bekeken of die plannen werkelijk 'bestuur-op-niveau' naderbijbrengen.

Mochten ze daar niet in slagen dan zal de boven- of intergemeentelijke samenwerking toch weer door Den Haag worden afgedwongen. Dat gebeurt dan op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen waarvan in het verleden nu juist zo duidelijk is gebleken dat zij voor het besturen van agglomeraties slecht voldoet. Of er werkelijk sprake is van een bestuurlijke doorbraak is dus nog zeer de vraag.

    • Onze Frits Groeneveld