Groot genoeg voor het houten paard; De situering van het oude Troje

De Duitse archeoloog Heinrich Schliemann nam in de vorige eeuw de Ilias van Homerus letterlijk en vond de stad Troje toen in Turkije. Maar niet iedereen is ervan overtuigd dat de door de Grieken verwoeste stad daar echt heeft gelegen. 'Als je Homerus kritisch leest, klopt er maar weinig, ' beweert de Nederlander Iman Wilkens die zich dertigjaar heeft beziggehouden met onderzoek naar de Ilias en de Odyssee. In zijn onlangs verschenen boek 'Where Troy once stood' probeert hij te bewijzen dat Troje in Engeland, niet ver van Cambridge lag en dat Homerus een Zeeuw was.

Luid en schamper gelach is mijn deel als ik de in Parijs woonachtige schrijver W. F. Hermans vertel dat het epos van Homerus, de Ilias en de Odyssee, oude Keltische verhalen zijn, dat Troje naast Cambridge in Engeland lag, Odysseus niet de Middellandse Zee bevoer, maar de Noordzee en de Atlantische Oceaan en dat Homerus zelf ook een Kelt was, waarschijnlijk geboren in Zeeland. 'Dat soort onzin geloof je toch niet. Tjerk Vermaaning stond ook thuis prehistorische bijltjes te zagen. Iedereen trapte er in, ' zegt hij badinerend. Ter lezing krijg ik zijn novelle Homme's hoest mee.

Maar ook Hermans twijfelt of het Troje in Klein-Azie wel het Troje van Homerus was. Hij laat in het verhaal zijn vrouwelijke hoofdpersoon Helena tijdens een bezoek aan het stadje zeggen: ' wat ik dan toch niet begrijp is, hoe ze het Trojaanse paard in deze smalle straatjes hebben kunnen krijgen'. Een twintigtal regels eerder staat: 'Groter dan de hut van een dagloner kon een Trojaans paleis niet zijn geweest'.

Het is dergelijke twijfel die maakt dat Iman Wilkens zich al 30 jaar bezighoudt met Homerus en de exacte plaatsen van handeling in de Ilias en de Odyssee. De vruchten van zijn jarenlange onderzoek en denkwerk heeft Wilkens, een 54-jarige, bescheiden Nederlander die in Parijs woont en werkt, zojuist gepubliceerd in een boek Where Troy once stood, uitgegeven bij Rider in Londen.

In een restaurant in het Bois de Boulogne vertelt Wilkens: 'Op het Barlaeus in Amsterdam worstelde ik met een passage van Homerus, waarin het eindeloos regent. Ik keek naar buiten: regen. Ik dacht bij mezelf dat kan toch niet: regens die niet ophouden in Griekenland. Later ontdekte ik dat Homerus ook herhaaldelijk spreekt van eb en vloed, 'apsorroos' in het Grieks. Nou, we weten wel zeker dat eb en vloed in de Middellandse Zee niet voorkwam, ook niet in de tijd van de Trojaanse oorlog, die rond 1200 voor Christus gesitueerd wordt. Als je Homerus kritisch leest, klopt er maar weinig'.

Twijfel aan de realiteit van Homerus' beschrijvingen is al oud. Thucydides, die in de 5de eeuw voor Christus leefde, drie eeuwen na Homerus, kende Mycene als 'een klein dorp' en verbaasde zich over Homerus' kwalificatie 'een rijke stad met brede straten.' Net als Hermans over Troje. Andere bekende twijfelaars zijn: de Griekse geograaf Strabo (1ste eeuw na Christus) en Plato. John Chadwick, de medeontcijferaar van het lineair B, noemde Homerus een leugenaar. Wilkens, zelf een afgestudeerde econoom, citeert ook kritische tijdgenoten als Malcolm Wilcock en G. S. Kirk.

Een lange rij voorbeelden van onmogelijkheden geeft Wilkens zowel in ons gesprek als in zijn boek. De vlakte rond het stadje Troje, dat door Heinrich Schliemann in de vorige eeuw werd opgegraven en aan de westkust van Turkije ligt, is te smal om de 60.000 a 100.000 soldaten van Agammemnoon, Achilles, Odysseus en de andere Achaiers te legeren. De baai voor Troje is veel te klein om 1200 schepen te ontvangen. Bij Homerus komt crematie van doden voor, een gewoonte die de Grieken uit de 12de eeuw voor Christus niet kenden. De beuken, populieren en wilgen, die de blinde Griekse dichter bezingt, zijn typisch voor gematigde streken en groeien zelden in mediterrane landen. Homerus laat zijn Grieken vechten op karren getrokken door paarden, maar de Grieken gebruikten het paard nooit in hun oorlogen. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat vele namen van steden, eilanden en streken, die Homerus gebruikt, zoals Thebe, Lesbos, Kreta, Cyprus en Egypte niet bestonden in het Bronzen Tijdperk, waarin de slag van Troje zich heeft afgespeeld. Enzovoort, enzovoort. De rij argumenten is te lang om hier volledig af te drukken.

'Wat mij verbaasde is dat Homerus heel nauwkeurig verslag doet van de gebeurtenissen. Hij geeft details over de lengte van reizen en beschrijft de Griekse regimenten die Troje belegeren heel precies. Nauwkeuriger dan de Trojaanse krijgsmacht. Het is alsof hij een oorlogscorrespondent is, die met de geallieerden van Agamemnoon mee gereisd is. Maar zijn nauwkeurigheid klopt niet als je Troje en Ithaka in Griekenland situeert.'

Wilkens ging van de stelling uit dat gezien de regen en getijden West-Europa een beter toneel was voor de landing van de 1200 schepen, de gevechten van Hector en Achilles en de reis van Odysseus. Een suggestie die voor hem gedaan was door amateurs als Ernst Gideon en Th. Cailleux. 'Gideon geniet in Nederland enige bekendheid, maar zowel hij als Cailleux geven geen bewijzen. Het zijn meer intuities.' Zelf heeft Wilkens ook geen bewijzen, maar wel een overstelpende hoeveelheid circumstantial evidence, zoals hij dat noemt. Het is teveel om op te noemen, maar zijn speurtocht laat zich lezen als een spannende archeologie-detective en dat is een hele verdienste voor een econoom die in zijn dagelijkse leven gortdroge economische rapporten schrijft.

Door de vele Keltische elementen in Homerus, zoals crematie en verering van het paard, zocht de bezeten Nederlandse vrijetijdsarcheoloog Troje in het Keltische gebied van West-Europa.

De vlakte in East Anglia, tussen Cambridge en de baai de Wash, klopt met de beschrijvingen van Homerus en is groot genoeg voor de strijdkrachten van Agamemnoon en zijn bondgenoten. Zonsopkomst en zonsondergang, zoals door Homerus beschreven, zijn beide vanaf de zuidoever van de Wash te zien.

Homerus noemt niet minder dan 14 rivieren in het gebied rond Troje. In het huidige Klein-Azie stromen er maar vier en hun namen lijken in de verste verte niet op die van Homerus. Wilkens was dan ook verrukt toen hij er in East Anglia precies veertien vond. Vooral rivieren behouden dikwijls hun oorspronkelijke namen die uit vervlogen tijden dateren. Overeenkomsten tussen de riviernamen in East Anglia en die bij Homerus zouden de eerste stukken van een nieuwe theorie over de plaats en context van de Ilias en de Odyssee, kunnen zijn.

Bijbel

Een belangrijke bron voor de 'circumstantial evidence' is de etymologie. Als voorbeeld voor Wilkens methode geef ik de lijst van Trojaanse rivieren, zoals hij die op pagina 70 van Where Troy once stood vermeldt. Eerst de naam bij Homerus en daarachter de huidige naam bij Cambridge: Aisepos-Ise, Rhesos-Rhee, Rhodios-Roding, Grenikos-Granta, Skamandros-Cam, Simoeis-Great Ouse, Satnioeis-Little Ouse, Larisa-Lark, Caustrios-Yare, Thumbre-Thet, Karesos-Hiz, Heptaporos-Tove, Kallikolone-Colne, Killa-Chillesford en Temese-Thames.

Alleen Caustrios is drastisch veranderd in Yare, maar in de buurt vond Wilkens twee plaatsjes Caister-on-Sea en Caistor St Edmund.

Wilkens heeft in het gebied rond Cambridge nog veel meer opvallend Homerische namen gevonden. Een heuvel heet bij Homerus Batieia, die in East Anglia terug te vinden in de naam Bottisham (een dorp). Ilos is Ely en Tenedos, Scuros, Pedasos en Eetion, steden die vernietigd zijn door Achilles, keren terug in respectievelijk Denton, Skirbeck, Besthorpe en Eton Socon. Wilkens werd verder gesterkt in zijn theorie dat Troje bij Cambridge gezocht moest worden door de aanwezigheid van twee dijken, Fleam Dyke en Devils Dike, die vermoedelijk uit het Bronzen tijdperk stammen. Ook Homerus vermeldt twee dijken, die in Turkije nergens gevonden kunnen worden.

Bossen, heuvels, uitzichten, windrichtingen, de loop van de rivieren, de ligging van kampementen, landingsplaatsen, alles klopt prachtig met de geografische gegevens van Homerus. De conclusie was voor Wilkens duidelijk: Troje lag op de Gog Magog heuvels, op een paar kilometer ten oosten van de huidige universiteitsstad Cambridge. De curieuze naam Gog Magog komt ook voor in de Bijbel als Gog, koning van Magog, bij Ezechiel (38 en 39), waarin een zevenjarige oorlog wordt beschreven. Volgens Wilkens wordt in deze passages het lot van het Keltische Troje als waarschuwing voorgehouden aan het volk van Israel.

Zijn conclusie kan voorlopig niet meer dan een werkhypothese zijn, waarvoor de bewijzen moeilijk te leveren zijn, tenzij ter plaatse gegraven wordt. Wilkens hoopt natuurlijk dat de Britten zijn theorie serieus nemen en gaan spitten. Onwaarschijnlijk is dat niet. Iman Wilkens begint bekend te worden in Engeland. Zijn boek kwam vlak voor de zomer uit en ondanks het vakantieseizoen zijn er al 2.000 exemplaren verkocht. Radio en televisie tonen veel belangstelling voor zijn theorie. Dat valt te begrijpen, want als Wilkens gelijk heeft, was Priamos de eerste bekende koning van Engeland en kan eindelijk de zin worden begrepen waarmee koningin Elizabeth I begroet werd: 'that sweet remain of Priam's state, that hope of springing Troy'.

Nadat Wilkens zich door stapels boeken over de Keltische cultuur en archeologie had geworsteld, ontvouwde hij een aantrekkelijke en op het oog sluitende theorie over Troje. Rond 1200 voor Christus vochten twee Keltische rijken, Mycene, gelegen in noord-west-Frankrijk, onder leiding van Agamemnoon, en Troje, in Engeland, een zware strijd uit over de controle van de zee. De Kelten waren een zeevarend volk en hebben hun sporen achtergelaten in onder meer Cadiz, Marokko, Scandinavie en Marseille. Veilige handelsroutes op de Noordzee waren volgens Wilkens van vitaal belang.

Een belangrijke handelsroute liep door de Zeeuwse eilanden (het rijk van Achilles) over de grote rivieren naar het huidige Duitsland, Belgie en Frankrijk. Tijdens de Trojaanse oorlog werden deze streken bewoond door Keltische volken, die zich aansloten bij Agamemnoon. Homerus geeft een lange lijst van regimenten aan Achaische zijde en Wilkens heeft hen allemaal via logisch denken en de etymologie teruggevonden.

De Kelten, die een reputatie als zangers en vertellers hadden zijn over heel Europa uitgewaaierd en vielen als Illyriers Griekenland binnen. Deze Illyriers vertelden het verhaal over de verschrikkelijke veldslag van Troje aan de Griekse bewoners, die het rond de achtste eeuw voor Christus op schrift hebben gesteld.

Terecht stelt Wilkens zichzelf de vraag: 'Als de slag zo belangrijk was, waarom is hij dan vergeten in de Westeuropese literatuur?' Hij beweert dat er een tweede, eveneens mondeling overgeleverd epos was, dat pas in de vijfde eeuw na Christus op schrift gesteld werd door een onbekend auteur. Daarin wordt de oorlog beschreven vanuit het Trojaanse (Keltisch-Britse) standpunt van Dares Phrygius. Dit verhaal vormde de inspiratie voor schrijvers als Jozef van Exeter, Joffroi van Waterford, Albert van Stade, Jan van Fixencourt, Servan Copale en Benoit van Saint Maure. Er bestaat nog een derde verslag van de oorlog, gezien door de ogen van Dictys Cretensis, die in het gevolg van Idomeneus van Kreta (Zuid-Scandinavie volgens Wilkens) naar Troje reisde. Deze versie is opgeschreven in de vierde eeuw na Christus en werd uit het Grieks in het Latijn vertaald.

In Bretonse vertellingen is de slag bij Troje bekend als de oorlog tussen de Asches en de Ecks, voor de Nederlandse onderzoeker een duidelijke verwijzing naar Achilles en Hector.

Een verdere bevestiging voor zijn theorie dat de oorlog van Troje zich in Keltenland afspeelden, meent Wilkens te vinden in het vervolg op de Ilias, de Odyssee. Dit epos heeft volgens hem drie lagen: de eerste is het verhaal van de tienjarige tocht van Odysseus na de overwinning bij Troje, de tweede laag bestaat uit navigatie-instructies voor Keltische zeelieden en de derde is een mythisch verhaal over initiatieriten bij de Keltische druiden.

Druiden

Iedere gymnasiast kent de eerste laag. In Wilkens' interpretatie zeilt Odysseus niet langs eilanden van de Middellandse Zee, maar reist de Keltische held van Engeland naar kaap Malea (de naam bij Homerus), die in Wilkens' uitleg op de zuidkust van Portugal ligt. Deze kaap heet tegenwoordig Sao Vicente, maar vroeger Malios, naar de andere naam van Hercules, die vereerd werd op het Iberische schiereiland. De cyclopen ontmoet Odysseus op de Kaapverdische eilanden, de Aeolische eilanden zijn de Nederlandse Antillen en Cuba is in Wilkens' versie het land van de Laestrygoniers. Schouwen in Zeeland is het eiland van Circe, de Scylla en Charribdis liggen op Land's End in Cornwall en op de Azoren woonde Calypso. Tenslotte keerde Odysseus terug naar Ithaka, zijn koninkrijk, dat volgens Wilkens Cadiz in zuidwest Spanje ligt. De belevenissen van Odysseus weet hij te duiden als Keltische mythen en sagen.

De bewijsvoering van Wilkens voor een Atlantische reis van Odysseus is fascinerend. De windrichtingen die Homerus beschrijft volgde hij nauwkeurig, maar soms bleken ook die onvoldoende. Eenmaal een eind op weg naar de oplossing van het raadsel liet de Nederlander zich niet meer ontmoedigen en tenslotte ontdekte hij in Homerus gecodeerde route-aanwijzingen. Circe, die op het Keltische Schouwen een druidenschool leidde, wijst Odysseus niet de weg, maar Homerus dicht wel over twee Sirenen. Wilkens vatte deze passage op als een verwijzing naar het dierenriemteken Tweelingen, een aanduiding voor zuidwestelijke richting in de tijd waarin op de sterren werd genavigeerd. Vervolgens voert Homerus nadrukkelijk grazend vee op, bous, het Griekse woord voor stier. Het teken Stier wijst op west-zuid-west en zeilend tussen deze twee aanwijzingen komt een schip van Zeeland naar Cornwall. Calypso geeft Odysseus wel route-aanduidingen mee. Hij moet de Beer links houden, dus in oostelijke richting wegvaren. De richting van het Aeolische eiland naar Lamus kan Odysseus vinden dankzij een verwijzing naar Waterman en later naar Vis, dus noordwest, de juiste richting om van Saba naar Havana te zeilen.

Wilkens verklaart deze laag van de Odyssee uit het feit dat de elite van de Kelten, de druiden, het (Ogham-)schrift wel kenden, maar niet toestonden dat het werd gebruikt om kennis voor zichzelf te reserveren. Kennis brachten zij over door verhalen te vertellen en liederen te zingen. Een zeevarend volk moet alles weten over de gevaren van vaarroutes, winden, stromingen en kolken. Vandaar dat de Odyssee vol staat met deze gegevens en met geheime aanwijzingen over de belangrijke vaarroutes naar bijvoorbeeld de vindplaatsen van goud of tin.

Op zijn speurtocht kwam de Nederlandse onderzoeker verrassende namen tegen. Hoe te verklaren dat op het eiland Wight een landpunt, die naar Normandie wijst, Egypt Point heet? En hoe te verklaren dat Homerus schrijft dat van Troje naar Egypte slechts een paar dagen varen is. Zelfs in een moderne zeilboot, die overstag kan gaan en niet, zoals in de tijd van Odysseus, op de goede wind en stroom moet wachten, vraagt de tocht van Klein-Azie naar Egypte meer dan een paar dagen.

De Wilkiaanse verklaring van dit raadsel luidt: Egypte lag in Normandie. Er is hier een rivier de Epte, wellicht ooit E(gy)pte, en opvallend veel namen in deze streek eindigen op nil: Miromesnil, Ormesnil. Mas betekent huis en nil is de Nijl. Hij voert nog meer etymologieen aan en concludeert dat de Kelten deze Normandische streek vermoedelijk met een woord lijkend op Egypte aanduidden en de bovenloop van de huidige Seine Nil noemden. Ze gaven deze namen door aan de Grieken, waardoor Egypte later Egypte werd. Wilkens wordt gesterkt in deze veronderstelling omdat in de tijd van Homerus Egypte aangeduid werd als Misr, Al-khem, Kemi of Meroe, maar nooit als Egypte. Bovendien dicht Homerus, ondanks zijn oog voor details nooit over piramides als hij het over Egypte heeft.

Walcheren

Uitvoerig behandelt Wilkens in zijn boek Zeeland. Uit archeologische vondsten blijkt dat de Zeeuwse eilanden al in de Bronzen Tijd werden bewoond. Voor de zee- en riviervarende Kelten vormde deze delta van drie rivieren, Rijn, Maas en Schelde, een heilig gebied, wat ook blijkt uit de vele Zeeuwse plaatsnamen die eindigen op kerke: Biggekerke, Serooskerke, Boudewijnskerke. De christenen bouwden hun godshuizen op de heiligdommen van hun voorgangers. In Zeeland zijn bovendien prechristelijke tempelstukken gevonden. Volgens Wilkens leidde Circe (van de zelfde stam als church, kirche, kerk) op Schouwen een Gnostische druidenschool. De Odyssee kan worden gelezen worden als een verhaal van een lang initiatieritueel van onwetenheid naar wijsheid. Na negen jaren van zwerven komt Odysseus eindelijk wijsgeworden thuis in Cadiz, bij zijn vrouw Penelope. Penelope, Circe en Calypso, zijn varianten van dezelfde godin: de Inleidster in de Kennis.

Zijn bezoek aan de Hades is onderdeel van het inwijdingsritueel dat iedere druide in opleiding moest ondergaan. Circe, die Odysseus' opleiding verzorgde, wees de held de weg naar de ingang van de Hades. ' Daar stromen in de Acheron de Periphlegeton en Cocytus, die een zijrivier van de Styx is; en daar is een rots, en de ontmoetingsplaats van twee bruisende rivieren. (Od. X, 508-518). In een latere passage instrueert Circe Odysseus 'de stroom van Oceanus te verlaten, terwijl hij nog altijd richting Oceanus vaart' (Od. XI, 13-22). Deze tekst heeft altijd tot verwarring geleid, want hoe kun je de oceaan verlaten terwijl je richting oceaan koerst?

De oplossing van Wilkens is mooi en eenvoudig. Voor het vinden van de Hades en zijn initiatie moest Odysseus rond het eiland Walcheren (Walkuren, Valkyries) varen. De Hades is een heilige kuil in het strand aan de zuidkant van het eiland waarin hij het bloed van zwarte offerschapen moest laten vloeien.

Wilkens vindt allerlei curieuse etymologische afleidingen en herinneringen aan deze mythische tijden in Zeeland. De andere naam van Hades is Dis. Op Walcheren is een Dishoeck. In Frankrijk is Dives, nog altijd de naam van een plaatsje aan de mond van de Seine. De Westerschelde heette vroeger Acher en samen met de Hont komt hij al gauw op Acheron (Acher + Hont), een van de vijf mythologische rivieren in het dodenrijk. Het huidige Rammekens (kens: stam, vergelijk engels: kin) draagt nog in zijn naam de herinnering aan de offerplaats. De vrouw van de god Hades heet Persephone, ook wel Phere-phatta, een naam die terugkeert in Veere en in Duiveland. Pherephatta betekent letterlijk de duiven-drager, waarbij de duif het symbool van de ziel is. Monsters, waaronder Cerberus en Campe, bewaakten de Hades. Bij Veere staat de Campveersetoren, die uitkijkt over Kamperland, vroeger Campe geheten. Cerberus is te vinden in Seroos(kerke) en in het naburige dorpje Hondgem.

Zeeland blijkt vol mythologie. Hoe moeten we verklaren dat de boot van Charon, de schipper naar het dodenrijk, voorkomt in het stadswapen van Veere? En de drie koppen van Cerberus in het wapen van Serooskerke?

Wilkens onderbouwt zijn stellingen met verwijzingen naar de Mithracultus in Zuid-Europa, de verering van Poseideon en andere Griekse goden in West-Europa, getallensymboliek en de mythe van de Graal. Hierdoor onstaat een indrukwekkend beeld van de Keltische cultuur.

Tot slot onthult Iman Wilkens de identiteit van Homerus, waarbij je de neiging voelt je schouders op te halen, zeker gezien het feit dat Wilkens zelf uit deze provincie komt: Homerus is een Kelt, vermoedelijk een druide, geinitieerd door Circe, geboren in het Zeeuwse Sint Joosland.

Engeland heeft Priamos, Frankrijk Agamemnoon en Nederland komt er lang niet slecht af. Het deelt Achilles met Belgie en herbergde en schoolde de bedenker van dit alles, Homerus, die alleen symbolisch blind was. Blinden zijn immers betere zieners dan zienden.

De argumentatie achter Sint Joosland als geboorteplaats van Homerus gaat als volgt: Hesiodes schrijft dat Homerus de zoon was van Meles en dat de priesteres van Delphi (een naam die voortleeft in Delft, dat vroeger trouwens Delphi heette) tegen Homerus orakelde dat zijn moeder van het eiland Ios kwam. Slechts een eiland met een gelijkluidende naam vindt Wilkens in de Atlantische Oceaan: St Joosland. Sterker nog: op dit kleine eiland, dat een deel van Walcheren is geworden, leeft de naam van Homerus' vader voort in Meliskerke en in de vele families die Melis of Melisse heten. Vanuit Zeeland zou Homerus overgestoken zijn naar Troje om de oorlog als ooggetuige mee te maken. Later is Homerus, die als minstreel rondtrok, naar Cadiz verhuisd.

Misschien heeft Wilkens gelijk, misschien is hij een bezetene die voor zichzelf heeft bewezen wat hij bewijzen wil. Het is aan de specialisten dat te beoordelen, maar zelfs als hij voor slechts 50 procent of nog minder gelijk heeft, heeft hij belangstelling voor de Keltische cultuur gewekt. De reactie van een kunsthistoricus in Parijs op dit verhaal was: 'Zeker is dat het belang van de Keltische cultuur door de historici sterk onderschat is'. Wilkens is zeker geen Vermaaning, want zijn argumenten liggen op tafel en hij vraagt zelf om bestrijding.

Jammer genoeg heeft zijn boek geen index. Dat ondergraaft de pretentie van degelijkheid. Volgens de auteur komt dit doordat zijn uitgever een dunner boek verwachtte en dus de index er maar uitgelaten heeft. Deze hinderlijke omissie zal worden hersteld in de Amerikaanse editie, die binnenkort uitkomt.

    • Where Troy Once Stood. Uitg. Rider
    • Peter van Dijk Iman Wilkens
    • Prijs Fl.65