Globe

Domme Broer en Slimme Broer gingen samen schapen hoeden. Iedere morgen trokken ze met hun schapen naar de sappigste plek van het veld. Op een dag ontdekten ze dat ze te weinig eten hadden meegenomen. Hun trommel was leeg en ze hadden nog steeds honger. Slimme Broer stuurde Domme Broer naar het dorp om nog wat eten te halen. Domme Broer kocht een pan vol en liep terug naar het veld. Onderweg zag hij een schaduw naast zich. 'Waarom loop je naast me?', vroeg hij aan de schaduw. De schaduw antwoordde niet. 'Heb je honger?', vroeg Domme Broer en hij gaf hem een hap eten. Maar de schaduw week niet van zijn zijde. Domme Broer gaf hem nog een hap, en nog een. Tot de pan leeg was.

'Waar is het eten?', vroeg Slimme Broer. 'Ach', zei Domme Broer, 'dat heb ik aan dat mannetje naast me gegeven, hij wil maar niet weggaan'.

'Dat is je schaduw, domoor', riep Slimme Broer, 'ik ga zelf wel eten halen. Blijf hier en zorg ervoor dat de schapen niet weglopen'.

Slimme Broer ging naar het dorp. Domme Broer bleef bij de schapen. Ze graasden steeds verder weg. 'Jullie mogen niet verder', riep Domme Broer en hij sneed elk schaap de achterpoten af. Toen Slimme Broer met het eten terugkwam, lagen alle schapen doodgebloed op de grond. Wat werd hij bang! Hij greep Domme Broer bij de arm en rende weg.

In het open veld zagen ze vier mannen op hen afkomen. 'Boze boeren die wraak om hun dode schapen willen nemen', dacht Slimme Broer. Domme Broer liep in zijn haast nog de deur van een boerenschuur omver en Slimme Broer trok hem een boom in, met deur en al. Ze zaten nog maar net in de kruin of de vier mannen strekten zich onder de boom uit. Hijgend begonnen ze daar hun geld te tellen. Het was veel geld. 'Slimme Broer, ik moet een kleine boodschap', zei Domme Broer. 'Dat schikt nu niet', zei Slimme Broer. Maar Domme Broer kon het niet ophouden. De mannen onder de boom waren zeer dorstig en toen ze merkten dat er wat naar beneden sijpelde, riepen ze: 'Christus heeft ons water gegeven'. En ze dronken het water.

Even later zei Domme Broer: 'Nu moet ik een grote boodschap'. 'Schikt niet', zei Slimme Broer. Maar Domme Broer liet zich toch gaan. De mannen onder de boom riepen: 'Christus heeft ons eten gegeven'. Niet lang daarna, terwijl de mannen nog steeds het geld zaten te tellen, zei Domme Broer: 'Ik houd die deur niet meer'. 'Schikt niet', zei Slimme Broer. Maar Domme Broer liet de deur toch vallen. Toen schreeuwden de mannen: 'Christus is nedergedaald'. En ze zetten het op een lopen. Het geld lieten ze achter en ook een zware tas. Domme Broer en Slimme Broer raapten het geld bijeen en keken in de tas. De mannen moesten rovers zijn want hij zat vol breekijzers en valse sleutels. De twee broers liepen naar de schapenboeren en betaalden elke eigenaar zijn schade. Zij hielden nog genoeg over voor een rijk en goed leven. En nooit meer noemden ze elkaar slim of dom.

    • Adriaan van Dis