Geen kleinigheden

Ambtelijke molens malen langzaam. Die oude waarheid vinden we bevestigd wanneer we de Memorie van Toelichting van het ministerie van Buitenlandse Zaken naslaan. Deze verscheen op 18 september. Ruim zes weken eerder was Irak Koeweit binnengevallen, maar dat was voor het ministerie blijkbaar geen reden de tekst van de memorie, die kennelijk al voor 2 augustus praktisch klaar was, ondersteboven te gooien. Slechts hier en daar worden die inval en zijn gevolgen vermeld.

Toch was dit geen gebeurtenis van anekdotische aard. Althans, zo reageerde de wereldgemeenschap er niet op. Vrijwel unaniem veroordeelde zij Iraks daad en sprak zij zich voor sancties tegen de agressor uit. Dat was op zich zelf al zonder precedent. Daarnaast werd, in heel korte tijd, een enorme krijgsmacht aan Iraks grenzen samengetrokken, waardoor (om met president Mitterrand te spreken) een 'oorlogslogica' ontstond. Ook dat is geen bagatel.

Ten slotte verdubbelde in die zes weken de olieprijs iets waartegen de Westerse economieen misschien nog wel bestand zullen zijn, maar wat funeste gevolgen heeft voor de economieen van Oost-Europa die bezig zijn net uit het dal van het communisme omhoog te kruipen, om niet te spreken van de economieen van de ontwikkelingslanden. Kortom, allemaal geen kleinigheden.

Maar toch zag het ministerie van Buitenlandse Zaken geen kans of geen aanleiding de tekst van zijn MvT in dit licht te herzien, behalve op drie plaatsen: een zin in het hoofdstuk over de NAVO; een zin in dat over chemische wapens; en, uiteraard, het hoofdstuk over het Midden-Oosten, waar de Iraakse inval in Koeweit zelfs de Palestijnse kwestie helemaal uit de MvT heeft gedrongen. Knip- en plakwerk.

In dat laatste hoofdstuk staat bij wijze van verontschuldiging: 'De snelheid waarmee de ontwikkelingen zich bij het redigeren van de MvT opvolgen, maakt een substantiele analyse in dit stadium niet wel mogelijk'. Zeker in een maand dat de minister en een groot deel van zijn ambtenaren met vakantie zijn, mogen we er wel aan toevoegen.

Er zijn dus wel redenen voor deze trage reactie, maar het feit blijft daar dat de Kamer straks over het buitenlands beleid zal debatteren op grond van een stuk dat grotendeels is achterhaald, in elk geval een stuk dat de inval in Koeweit en zijn (eventuele) gevolgen niet als kern, zelfs niet als inleiding, heeft, maar slechts terloops behandelt.

Een echte inleiding, waarin de plaats van Nederland in een ook zonder Koeweit! snel veranderende wereld en de beginselen van de Nederlandse buitenlandse politiek worden geschetst, ontbreekt in de MvT. Zij pakt onmiddellijk de koe bij de horens, en in dit geval is dit Europa een voor 2 augustus gerechtvaardigde keus.

Maar zelfs in dit geval worden kansen gemist en blijven vragen onbehandeld die andere bewindslieden dan minister Van den Broek bij eerdere gelegenheden hebben gesteld of, op zijn minst, uitgelokt. Zo schreef minister-president Lubbers op 2 augustus in deze krant dat met de eenwording van Duitsland 'het epicentrum van Europa oostwaarts verschuift'. Als dat zo is, wat voor gevolgen heeft dat dan voor Nederland? Geen woord hierover in de MvT.

Iets eerder in de Volkskrant van 16 juni had Van den Broeks eigen staatssecretaris, Piet Dankert, betoogd dat met Duitslands eenwording de in het EG-verdrag 'ingebouwde gelijkheid' van Engeland, Frankrijk en Duitsland niet meer klopt. Alweer: wat betekent dat voor Nederland? Alweer: geen woord hierover in de MvT.

Lubbers had trouwens in zijn artikel in deze krant meer interessante opmerkingen gemaakt. Zo had hij gezegd dat wij 'In Europa aan een nieuwe grens zijn gekomen. Die nieuwe grens wordt gevormd door de veelvormigheid en door de accentverschillen in het rechtsstatelijk denken van de diverse landen'.

Hij stelde dit vast, schrijvende over het akkoord van Schengen, maar hij gaf aan deze vaststelling wijdere betekenis: '(...) naarmate de integratie voortschrijdt zullen de landen en regio's terecht ook waken over de eigen identiteit en eigen domein', schreef hij in niet helemaal correct Nederlands.

Lubbers ziet dus grenzen aan de Europese integratie. Zelfs vraagt hij zich af of de Europese monetaire unie er wel komen zal (zou zij niet 'te veel extra middelen' gaan vergen ten bate van 'de minder welvarende EG-landen' ?). Zulke fundamentele twijfel vindt zijn echo niet in de desbetreffende hoofdstukken van de MvT.

In het hoofdstuk over culturele samenwerking, waar men ze zou verwachten, vinden we de woorden 'eigen identiteit' en 'eigen domein' niet terug. Een paar jaar geleden nog werd 'het behoud van de eigen culturele identiteit' een uitgangspunt voor de Europese culturele samenwerking genoemd. Nu niet meer. Welke overweging ligt aan deze beleidswijziging ten grondslag? Of moeten we uit de mededeling dat aan de Europese Commissie is gevraagd een notitie te maken voor de Raad van Ministers van Cultuur 'ter voorbereiding van een discussie inzake de noodzaak van een eigen beleidsruimte voor de lidstaten' opmaken dat er geen sprake is van beleidswijziging?

Een discussie over de beleidsruimte (en niet alleen op cultureel gebied) is eigenlijk wat de minister-president in zijn artikel van 2 augustus bewust of onbewust ontketent, maar de MvT pakt dit niet op. Ze lijkt zo'n discussie eerder bewust of onbewust? te ontwijken. Dan is het aan de Kamer de juiste vragen te stellen. Dan moet de minister met zijn ideeen als hij ze heeft (hij is per slot van rekening meer een doener dan een denker) wel voor den dag komen.

    • J. L. Heldring