Essays van Maarten 't Hart; De sprongen van een natuurpaard

Het proza van Maarten 't Hart in Een dasspeld uit Toela is trefzeker en kernachtig, vitaal en onweerstaanbaar - ook al is het bij sommige essays lastig om het langer dan een bladzijde met hem eens te blijven. Hij heeft een paar krachtige antipathieen en als hij daarover begint is hij niet te stuiten.

Hij houdt niet van formalisten. Hij houdt niet van critici. Hij houdt niet van neerlandici. En hij houdt niet van de Nederlandse betere kringen die volgens hem de cultuur beheersen. Zij kijken 'met hooghartig dedain' neer op het eenvoudige volk en zij 'worden getypeerd door een grote mate van angstvalligheid, rillerigheid, beschetenheid'.

Waar houdt hij wel van? Van de literatuur. Hij heeft meer gelezen dan wie ook in Nederland en hij beschikt over het talent om te onthouden wat hij leest. Hij voert zijn gevechten in de eerste plaats uit naam van de literatuur, pas in de tweede plaats uit naam van zichzelf en zijn eigen boeken. Daardoor wordt zijn toon, ook als hij doorslaat, niet rancuneus.

Maarten 't Hart is een vurig natuurpaard dat uitdagend ronddraaft op het keurige, rustige concours hippique van de Nederlandse literatuur. De fokpaarden zien met afgrijzen hoe hij de moeilijkste hindernissen zonder moeite neemt. Ze schateren van Schadenfreude wanneer hij struikelt over een eenvoudig hekje. Ze proberen hem te intimideren en weg te pesten uit hun selecte gezelschap - wat hij schrijft hoort niet bij 'de echte literatuur' -, maar ze merken keer op keer dat hij zich niet laat wegjagen, dat hij een produktiviteit bezit waar ze allemaal een voorbeeld aan kunnen nemen en dat het grote publiek hem blijft toejuichen.

De beste essays in dit boek gaan over het werk van afzonderlijke schrijvers - een fel stuk tegen Multatuli (helaas gevolgd en afgezwakt door een veel vriendelijker oordeel in een lezing voor het Multatuli Genootschap); een liefdevol geschreven hommage aan de persoon en de ideeen van zijn medebioloog en medeschrijver Dick Hillenius; een verdediging van Mensje van Keulens roman Engelbert tegen de slechte kritieken; een getuigenis van vriendschap en bewondering, met veel mooie en goedvertelde anekdotes, voor zijn Leidse medemaarten, Maarten Biesheuvel.

Persoonlijke ordening

Zijn algemene beschouwingen over kritiek en stijl, over formalisten en neerlandici, lijden onder een hardnekkige onwil om het ordenende karakter van literatuur te erkennen. In het titelessay citeert hij Gogol die in het begin van de roman Dode zielen een jongeman opvoert die 'een dasspeld uit Toela' droeg, 'in de vorm van een bronzen pistooltje'. De jongeman en de dasspeld komen in de rest van het verhaal niet meer voor. Die details zijn dus functieloos, zegt Maarten 't Hart triomfantelijk, en dat hebben de formalisten onder de critici van oudsher verboden, van Horatius tot Hermans, van Brouwers tot Van Deel. Zij vinden dat een literair kunstwerk een geheel moet zijn, een afgeronde vorm, waar alle delen in passen. 't Hart noemt dat een dwaze eis.

'In de literatuur gelden geen regels, bestaan geen principes.' En: 'In het dagelijks leven zijn voorvallen doorlopend functieloos en onbegrijpelijk. Waarom, vraagt men zich af, mogen gebeurtenissen in romans dan niet functieloos of onbegrijpelijk zijn?'

Om met dat laatste argument te beginnen: zijn romans dan volgens 't Hart bedoeld als nabootsing van het dagelijks leven? Is dat op zichzelf niet ook al weer een regel, een principe, een voorschrift? Kennelijk wel, want romans die een welgeordend geheel vormen noemt hij 'vals, onwaarachtig, onwerkelijk, oneerlijk'. Dat mag dus niet. Maar als alle ordening uit den boze is, hoe komt een roman, of een gedicht, dan tot stand? Is dan niet iedere keuze die een schrijver doet - zijn woordkeus, zijn selectie van personages en gebeurtenissen, zijn indeling in hoofdstukken, ieder element in zijn taalconstructie, met een begin en een einde - vals en onwaarachtig, een daad van willekeur?

Terug naar de dasspeld. De regel dat composities een geordend geheel moeten vormen betekent niet dat alle elementen die genoemd worden later nog eens moeten terugkeren. Die dasspeld uit Toela, samen met nog een paar andere bijzonderheden over de kleding van de jongeman, is nodig om het personage even voor de lezer zichtbaar te maken. Dat is voldoende rechtvaardiging. De criticus gaat er pas wat achter zoeken, een speciale bedoeling, wanneer de dasspeld in het vervolg van de roman telkens weer zou terugkomen (zoals bij Maarten 't Hart zelf, die terwille van de samenhang in zijn verzameling essays, de dasspeld ook nog in een paar andere stukken noemt).

Ik denk dat ik wel begrijp waar de onwil om in termen van ordening en regels over literatuur te praten uit voortkomt. Het is de onwil om bij voorbaat door de betuttelende medemens aan banden gelegd te worden. Het vrijgevochten idee van: welke ordening, welke vorm ik kies, bepaal ik zelf wel. Goed, maar aan het idee van ordening, hoe persoonlijk ook, ontkomt geen enkele schrijver.

De regels van de stijl

Volgens Maarten 't Hart mogen critici geen uitspraken doen over stijl. Er bestaat geen onfeilbaar instrument 'om de stilistische kwaliteiten van een tekst te meten. Alle uitspraken kortom over de kwaliteit van een tekst zijn loze kwalificaties. Dat zulks het geval is blijkt uit de uiteenlopende beoordelingen van dezelfde stijl door verschillende personen.'

Dit strenge verbod verhindert hem niet op een andere plaats in hetzelfde essay Gerrit Komrij te prijzen als 'een groot stilist'. Het verhindert hem ook niet over Multatuli te schrijven: '(hij bezat) een zeldzaam benijdenswaardig vermogen om trefzeker en kernachtig te formuleren.' Wat doet hij daar anders dan kwalificaties geven van Multatuli's stijl? 'Je kunt daar veel van leren. Als ik beter ben gaan schrijven, dan is dat te danken aan mijn bad in het Volledig werk van Multatuli.' Ook hier weer: beter schrijven is betere stijl.

Maar afgezien van deze inconsequenties: het is waar dat verschillende critici verschillend kunnen oordelen over de stijl van een en dezelfde schrijver. Bewijst dat dat alle uitspraken over stijl loze kwalificaties zijn? Welnee, het bewijst alleen dat verschillende critici er verschillende opvattingen over stijl op nahouden.

Het is net als bij kritiek in het algemeen: er bestaat geen onfeilbaar instrument om de kwaliteit van literatuur vast te stellen. En dus allemaal maar zwijgen over de romans, de gedichten, de essays die ons worden aangeboden? Nog een stap verder, en geheel in de geest van 't Hart: ook de schrijver zelf beschikt niet over een onfeilbaar instrument om de kwaliteit van wat hij opschrijft te meten. En dus: alle literatuur is loze literatuur?

De criticus doet hetzelfde als de schrijver: hij geeft zijn persoonlijk oordeel, zijn persoonlijke ordening. De kwaliteit van zijn oordeel moet blijken uit wat hij te zeggen heeft. En vooral ook uit hoe hij het zegt, uit zijn stijl. Temidden van alle subjectiviteit en onzekerheid is juist de stijl nog een van de meest grijpbare, bespreekbare eigenschappen van literatuur. Stijl verwijst naar retorica, naar de regels van welsprekendheid. Ik zeg niet dat die regels netjes op een stapeltje klaarliggen voor wie ze wil leren kennen - er blijft altijd een geheim van de goede stijl -, maar een paar regels over hoe het niet moet kun je elkaar toch wel bijbrengen.

Een daarvan is de regel dat een schrijver moet oppassen voor herhaling van hetzelfde woord, binnen het tijdsbestek van een zin of een alinea. Wanneer dat zonder reden gebeurt wekt het gauw de indruk van monotonie en armoede. Maarten 't Hart vindt dat een 'dwaze regel' en om de dwaasheid te bewijzen citeert hij Shakespeare: The present day praises the present man. Wat bewijst die zin? Dat opzettelijke herhaling van hetzelfde woord een dichterlijk retorisch effect kan veroorzaken. Het bewijst helemaal niet dat herhaling per ongeluk, zonder dat de schrijver er een bedoeling mee heeft, is toegestaan.

'Een man een man, een woord een woord' is een mooie spreuk. Maar een zin waarin aldoor maar weer, op de ongelegenste momenten, het woord 'man' en het woord 'woord' staan, wordt nooit een mooie zin.

Ik denk dat Maarten 't Hart het met mij eens is.

    • K. L. Poll Maarten 't Hart
    • Een Dasspeld uit Toela. Uitg. de Arbeiderspers