Ergens tussen voor en tegen; Kunstkritieken van Anna Tilroe

Onlangs publiceerde kunstcritica Anna Tilroe (1946) onder de titel 'De Blauwe Gitaar' een aantal van haar kritieken en beschouwingen over beeldende kunst. Het boek is een bewerkte selectie van artikelen ' geschoond', gepolijst en soms uitgebreid' die voor het grootste deel verschenen in de Volkskrant tussen 1985 en 1989. Enkele andere schreef zij voor de Haagse Post, Tirade en Code; de tekst over Gerhard Richter verscheen in de catalogus bij zijn tentoonstelling in museum Boymans- van Beuningen.

In de bundel komen veel courante thema's aan bod uit de beeldende kunst van deze tijd, zoals de verhouding tussen kunst en handel en de invloed van Marcel Duchamp, van Joseph Beuys, Andy Warhol enzovoort. In die zin is 'De Blauwe Gitaar' (naar een gedicht van Wallace Stevens: 'The man with the blue guitar') een mooie afspiegeling van wat zich zo op dit moment in de kunst afspeelt. Ook is plaats ingeruimd voor minder op de voorgrond tredende kunstenaars als Jan Roeland en Gerrit van Bakel.

De strijdvaardigheid waarmee Tilroe haar onderwerpen benadert, de onbevangenheid waarmee zij de geschiedenis tegemoet treedt, en haar alerte manier van reageren op gebeurtenissen in de kunstwereld, zijn bewonderenswaardig. Maar soms is haar strijdvaardigheid meer een kwestie van toon en sfeer dan van inhoud. Een visie die als een rode draad de verschillende stukken met elkaar verbindt ontbreekt.

Dit blijkt al uit wat op de achterflap staat vermeld, namelijk dat de keuze van kunstenaars 'niet direct een persoonlijke voorkeur uitdrukt', maar een poging is 'om kunst die door 'gezaghebbende kringen' als geschiedenismakend worden beschouwd, te kritiseren vanuit een mentaliteit waarbij aandacht, openheid en algehele scepsis voorop staan.' Een theorie heeft Tilroe niet, schrijft ze in haar inleiding. Dat is natuurlijk ook niet nodig, want vaak staat in de kunstkritiek een 'theorie' tussen het kunstwerk en de criticus in. Maar het schrijven van een kritiek houdt toch wel het maken van een keuze in. Die keuze blijft bij Tilroe vaak achterwege, het oordeel blijft ergens tussen voor en tegen zweven precies zoals ze schrijft dat een kritiek 'tussen objectief en subjectief in hangt.'

Waarheden

De strijdvaardige toon uit zich bijvoorbeeld hierin dat Tilroe schrijft alsof ze voortdurend wordt tegengesproken, hoewel dat helemaal niet het geval is. Vaak voert ze een 'monologue interieur' die moeilijk te volgen is. Haar stukken wemelen van zinsneden als: 'Toch zou het niet juist zijn om te concluderen dat ... ', 'Toch moet gezegd worden dat', 'Het zou niet terecht zijn om hem een controversieel kunstenaar te noemen', enzovoort. In plaats van iets te betogen bepaalt ze haar mening ten opzichte van fictieve standpunten. Een andere stilistische eigenaardigheid is Tilroe's gewoonte om allerlei vragen te stellen en vervolgens niet te beantwoorden. Daarbij worden zoveel zijpaden ingeslagen, en bedient Tilroe zich zo vaak van cirkelredeneringen, dat de lezer soms door de bomen het bos niet meer ziet.

Tenslotte is het, gezien Tilroe's afkeer van theorieen, verrassend dat zij zich er toe laat verleiden om op een apodictische toon algemene 'waarheden' te poneren. Zoals: 'Kunst representeert niet het boven- of onmenselijke, kunst maximaliseert het alledaagse menselijke.' Of: 'De kritiek kent geen andere waarheid dan die van de verbeelding.' 'Leegte is de meest prominente karakteristiek van abstracte kunst.' 'Een eis die deze eeuw aan figuratieve kunst stelt is: relativering, onverschillig of die nu tot stand komt via ironie en absurdisme, of via een nadrukkelijke dramatiek, of via het uitspelen van de formele middelen.' allemaal theoretische uitspraken die zij niet beargumenteert en aanvechtbaar zijn.

Tilroe is op haar best wanneer zij zich zich concentreert op een kunstwerk of een aantal kunstwerken, en die analyseert en gedetailleerd beschrijft, zoals zij bij Lucian Freud en Jan Roeland heeft gedaan. Net als theoretiseren belemmert ook het veralgemeniseren het zicht op het kunstwerk. In de stukken over Freud en Roeland, en ook in het prachtige interview met Gerrit van Bakel, krijgt de lezer juist, dankzij de tekst, zicht op het kunstwerk.

    • Janneke Wesseling Anna Tilroe