Em. Kummer en het afscheid van Celine; En toen gingen weieder onze eigen weg

Het komt niet vaak voor dat een romandebuut vergezeld gaat van uitvoerige interviews met de schrijver. Bij Kummer gebeurde het niettemin en dus moest er iets aan de hand zijn. Zijn leeftijd van 63 jaar is een factor, maar belangrijker is natuurlijk dat zijn roem als Celine-deskundige hem al vooruit was gesneld. Hij vertaalde op schitterende wijze de Voyage au bout de la nuit, en was daarna de man die scherp wist te formuleren dat je de kracht van Celine als schrijver duidelijk diende te scheiden van zijn inferioriteit als mens. Celine was een antisemiet en een schoft die met de Duitsers collaboreerde en daarmee uit. Van mogelijke nuanceringen wilde hij niet horen. Dat was niet meer dan gefemel van halfzachte intellectuelen die de vitale dissonanties waar Celine hen mee opzadelde niet wisten te verwerken.

De titel van Kummers boek, Afscheid in Meudon, was binnen deze kaders geen verrassing. Meudon is het voorstadje van Parijs waar Celine de laatste tien jaar van zijn leven heeft gewoond en als daar afscheid genomen moet worden kan dat alleen maar een definitieve afrekening met Celine betekenen. Dat klopt, maar eigenlijk ook weer niet, en met deze vage constatering zit je middenin de problematiek van dit allermerkwaardigste boek.

Hoewel de hoofdpersoon ervan Lasalle heet komen de beschreven gebeurtenissen dicht genoeg bij de werkelijkheid van Kummers leven om van een autobiografische roman te kunnen spreken. Hij heeft een Nederlandse vader en een Franse moeder. Hij vecht in Indo-China, krijgt, terug in Parijs, een baantje bij een luchtvaartmaatschappij, raakt door een vriendin zijdelings betrokken bij de Algerijnse opstand na eerst door contacten met oud-strijders de andere kant te hebben leren kennen, gaat letteren studeren in Nederland en wordt medewerker aan de universiteit. Tussen de bedrijven door leert hij Celines Voyage au bout de la nuit kennen en wordt er zeer door geraakt, al was het alleen al omdat hij voor het eerst in een boek de taal aantrof die hij in de kazerne had geleerd. En dan de bevrijding die zijn stijl voor hem betekende. Door de wijze waarop Celine de oorlog beschreef werd het ook weer mogelijk voor Lasalle/Kummer om aan zijn oorlog te denken. Een oorlog die hij tot dan toe had 'weggemoffeld' omdat hij er geen raad mee wist, kreeg nu een gezicht, werd als het ware hanteerbaar. Kummer schrijft: 'Als je eenmaal Celine gelezen hebt, ben je niet meer dezelfde als daarvoor, je ziet de wereld met andere ogen,

Zijn stijl werkt verslavend.' Dit staat op de voorlaatste pagina, maar het was de lezer al eerder opgevallen, want Kummers proza lijkt als twee druppels water op dat van Celine.

Pastiche

Hier begint ook het probleem. Is 'mijn eigen oorlog', zoals het eerste deel heet, nog wel Lasalles oorlog als hij is gezien door de ogen van Celine? Kummer mag dan wel schrijven dat je een oorlog alleen maar kunt begrijpen als je zelf in die oorlog hebt meegevochten, en dat daardoor elke oorlog zijn eigen taal, zijn eigen beelden en zijn eigen verteller heeft, maar wat blijft er over van dat eigene als Celine voor de toonzetting heeft gezorgd? Het zou allemaal niet zo erg zijn als het boek niet meer was dan een stijlpastiche. Dan zou je het al of niet vergenoegd of herkennend kunnen lezen en dat was dan weer dat. Maar wat Kummer te vertellen heeft is interessant genoeg voor wat extra aandacht. De onoverzichtelijkheid van de oorlog in Indo-China die aanvankelijk bedoeld was om de Jappen te verdrijven maar die uitmondde in een ordinaire koloniale strijd, de onlustgevoelens hierover later in Parijs waar de Algerijnse kwestie niet bepaald het klimaat leverde om weer met jezelf in het reine te komen, het wordt heel overtuigend en meeslepend beschreven. En het ferme-jongens-stoere-knapentaaltje lijkt bovendien het passende instrument om niet in geweeklaag en zelfmedelijden te vervallen, maar ja, dan zijn we weer terecht bij Celine. De Grote Meester zelf zegt in een nog niet eerder gepubliceerd interview in Magazine Litteraire van september: 'Ik denk dat iedereen een boek kan schrijven dat echt van hem is, dat wil zeggen dat het een stijl heeft die van hem is, op voorwaarde dat hij de bescheidenheid bezit om zich te beperken en niet probeert de grote schrijver uit te hangen.'

Misschien ontbreekt het Kummer aan dit laatste. Als hij schrijft: 'En toen gingen we ieder onze eigen weg, ieder naar zijn eigen oorlog, hij, Ferdinand, naar de Grote Oorlog, de beruchte, de roemrijke en ik naar een andere oorlog, een verwerpelijke, een misdadige', dan is dat maar ten dele waar. Kummer is hier niet... bescheiden genoeg om te erkennen dat de scheiding zich nog niet werkelijk heeft voltrokken. Voorlopig lijkt het dus juister om het 'afscheid in Meudon' op te vatten als een intentie, een beginselverklaring.

m. Kummer: Afscheid in Meudon. Nijgh en Van Ditmar, 189 pag. Prijs: 29,90.

    • Mels de Jonge