Eenzijdige actie tegen corruptie biedt Benazir Bhutto nieuwekans

ROTTERDAM, 28 sept. Pakistans rechters en advocaten maken op het ogenblik drukke tijden door. Geen dag verstrijkt er haast zonder dat er weer ergens een vooraanstaande politicus wordt aangeklaagd op beschuldiging van corruptie, nepotisme of een andere vorm van machtsmisbruik. Het lijkt of Pakistan voor de parlementsverkiezingen van 24 oktober eens schoon schip wil maken.

Een onevenredig groot aantal aanklachten is ingediend tegen ex-premier Benazir Bhutto en haar medestanders. Haar regering werd op 6 augustus door president Ghulam Ishaq Khan naar huis gestuurd op beschuldiging van incompetentie, corruptie en nepotisme.

Het nieuwe door de president benoemde interim-kabinet onder leiding van Ghulam Mustafa Jatoi was nog niet aangetreden, of het lanceerde een campagne tegen corruptie. Die resulteerde in een stroom van aanklachten tegen Bhutto en tal van andere prominenten uit haar omgeving.

Dat dezen niet bepaald voorbeelden van zuiverheid waren tijdens de 20 maanden van Benazirs bewind, was algemeen bekend. In het bijzonder haar omstreden echtgenoot, Asif Ali Zardari, verrijkte zich op schaamteloze wijze door misbruik te maken van zijn positie. Niets lijkt dan ook de rechters in de weg te staan voor zover ze zelf niet vatbaar zijn voor corruptie om althans een deel van deze prominenten streng te bestraffen.

Toch zit er aan de campagne van Jatoi een vieze smaak. Tegen de leden van zijn kabinet en zijn partijgenoten worden geen processen gevoerd, ook al is van velen van hen bekend dat ze in het verleden net zo corrupt zijn geweest als sommige leden van het kabinet-Bhutto.

In de praktijk heeft de campagne tegen Bhutto dan ook meer het karakter van een heksenjacht, waarmee men de ex-premier en haar Pakistaanse Volkspartij (PPP) onschadelijk hoopt te maken. Dat de huidige regering zelf allerminst zuiver op de graat is, heeft ze al aangetoond. Kandidaten van de Islamitische Democratische Alliantie (IDA), de grote concurrent van de PPP, ontvangen onder andere in de belangrijkste provincie Punjab honderdduizenden guldens uit openbare middelen om kiezers te lokken.

Invloedrijke waarnemers als de Amerikaanse ambassadeur in Pakistan, Robert Oakley, laten zich geen rad voor ogen draaien. In een rede, die hij onlangs in de VS hield, laakte Oakley de eenzijdige aard van de campagne van de regering-Jatoi. Dit kwam hem prompt op een woedende Pakistaanse reactie te staan, die later overigens werd afgezwakt. Islamabad riskeert namelijk niet graag het verlies van de honderden miljoenen dollars die de Verenigde Staten nog elk jaar aan Islamabad geven.

Voor Benazir biedt de eenzijdige campagne intussen een welkome gelegenheid om zich te presenteren als martelares, die uitsluitend om politieke redenen wordt vervolgd. Ze heeft zich duidelijk over de aanvankelijke schok van haar ontslag heengezet en spreekt weer vol zelfvertrouwen grote menigtes toe. Bovendien is ze er in geslaagd om haar partij redelijk bijeen te houden. Slechts acht parlementsleden hebben haar openlijk de rug toegekeerd. Binnen de IDA lijken veel grotere tegenstellingen en rivaliteiten te bestaan.

De grote vraag is nu, wat de kiezers belangrijker vinden: de povere prestaties en onmiskenbare corruptie van de regering-Bhutto of de onrechtvaardigheid van de eenzijdige aanklachten tegen Benazir en haar medestanders? Het is goed denkbaar dat voor veel Pakistanen het tweede zwaarder weegt dan het eerste.

Tot op de dag van vandaag zijn er namelijk maar zeer weinig politici in Pakistan die zich in de eerste plaats bekommeren om het lot van het land als geheel. Hun eerste zorg geldt het dorp, de streek of ook de stam waar ze bij horen. Of een politicus het land goed en rechtvaardig bestuurt, is voor de gemiddelde Pakistaan van geen betekenis. Wat telt is of een politicus erin slaagt om zijn dorp of stamgenoten te bevoordelen door middel van de invloed die hij in de hoofdstad Islamabad of in andere bestuurlijke centra weet aan te wenden. De corruptie is zo diep verankerd in het land, dat men hier over het algemeen geen aanstoot aan neemt.

Wel moeten politici bepaalde grenzen in acht nemen. Gaat de bevoordeling van het eigen kamp te veel ten koste van andere groepen, dan kan het gevaarlijk gaan broeien in het land. Dat overkwam Benazir Bhutto in haar eigen provincie Sind. Haar aanhangers, voornamelijk inheemse Sindi's, werden overstelpt met gunsten. De omvangrijke en zeer mondige minderheid van de mohajirs, oorspronkelijk uit India en Bangladesh afkomstige moslims, had steeds het nakijken in Sind. Uiteindelijk leidde dit tot bloedige rellen tussen beide bevolkingsgroepen, waarbij dit voorjaar honderden doden vielen.

Voor de in Pakistan nog altijd zeer machtige strijdkrachten vormde het uit de hand lopen van de toestand in Sind, naar algemeen wordt aangenomen, een belangrijke reden om Benazir te laten vallen. Er circuleren hardnekkige geruchten dat de militairen, die zichzelf beschouwen als de laatst overgebleven groep die zich om Pakistan als geheel bekommert, al besloten hebben om geen tweede regeringstermijn van Benazir te tolereren.

Inderdaad is nog altijd onzeker of Benazir, die zich vermoedelijk ook persoonlijk voor de rechter zal moeten verdedigen, aan de verkiezingen zal mogen meedoen. Wordt deze mogelijkheid haar ontzegd terwijl de eveneens corrupte leden van de regering-Jatoi ongemoeid blijven, dan staat vast dat het de tegenstanders van Benazir de IDA en het leger niet om een rechtvaardige, democratische samenleving is te doen maar alleen om hun eigen macht.