De tweede Russische tentoonstelling

De tentoonstelling Binnen de USSR en Erbuiten is het tweede overzicht van moderne Sovjetkunst in het Stedelijk Museum: in 1923 was hier De Eerste Russische Tentoonstelling te zien. Een expositie van socialistisch-realistische kunst was in Nederland ondenkbaar.

In het museum van Wiesbaden, waar ik de expositie Kunstlerinnen des 20. Jahrhunderts had bekeken, (CS Journaal 22-9), kocht ik een catalogus van een tentoonstelling die daar in 1977 was gehouden: 60 Jahre Sowjetische Malerei.

In de catalogus hadden de Hessense Minister van Cultuur en de ambassadeur van de Sovjet-Unie in de Bondsrepubliek een voorwoord geschreven. Ook stond er een beschouwing in over de geexposeerde schilderijen door de Russische kunsthistorica M. V. Davidova.

De cultuurminister houdt zich in zijn voorwoord op de vlakte: de bezoekers, zo schrijft hij, kunnen zich door deze tentoonstelling voor het eerst een beeld vormen van de manier waarop de schilderkunst zich in de Sovjet-Unie sinds de Revolutie heeft ontwikkeld. De expositie heeft volgens hem een culturele, maar ook een politieke betekenis: kunst kan de volkeren immers nader tot elkaar brengen.

De ambassadeur, V. Falin, benadrukt dat 'het bonte palet van werken, gemaakt door kunstenaars uit alle delen van de Sovjet-Unie, het sprookje weerlegt van het eentonige, het uniforme of zelfs het geestdodende van de socialistische kunst '. 'Zoals u zelf kunt zien, staat de mens centraal in het werk van de Sovjetkunstenaars. Het menselijke in de mens benadrukken, dat is het grondbeginsel van onze socialistische kunst, die voor het volk, met het volk en door het volk bestaat.'

De kunsthistorica legt uit dat Lenin kort na de Oktoberrevolutie al goed gezien had waar het met de kunst heen moest: de kunst naar het volk brengen en het volk naar de kunst, daar ging het om. 'Op verschillende manieren en via de meest uiteenlopende experimenten kwamen de kunstenaars tot een realistische wereldbeschouwing. Er bestaat geen overtuigender voorbeeld voor de dwingende noodzaak van deze richting dan de artistieke ontwikkeling die K. Malevitsj doormaakte, een van de grondleggers van de abstracte schilderkunst. Zijn late 'Zelfportret' toont niet alleen de terugkeer van deze schilder naar de figuratieve kunst, maar het laat ook goed zien hoe een formele stroming als het 'Suprematisme' kon opgaan in de nieuwe socialistische kijk op de mens.'

Aan het slot van haar betoog stipuleert de kunsthistorica nog dat de Sovjetkunst een spiegel is van het geestelijk leven van haar volk, een uiting van een 'edel humanisme.'

De tentoonstelling in Wiesbaden werd gehouden in een tijd dat de kunst in de Sovjet-Unie aan zware repressie blootstond en veel beeldende kunstenaars het land verlieten. Om de haverklap werden 'non-conformistische' of 'decadente' werken van exposities verwijderd, abstracte kunst was nog altijd taboe, een kunstenaar die zich daaraan waagde kon geen lid worden van de Bond en zijn werk alleen in huiskamers of datsja's exposeren.

In de catalogus van 60 Jahre Sowjetische Malerei staat geen enkel contract werk afgebeeld, hoewel het overzicht toch begint met het Revolutiejaar 1917, toen de abstracte kunst van Malevitsj, Popova, Kandinsky, Rodtsjenko, El Lissitsky, Tatlin en een hele reeks anderen nog lang niet door het socialistisch realisme was verslagen en weggedrukt. In de lijst van niet afgebeelde, maar wel geexposeerde werken staat welgeteld een compositie van Kandinsky en ook een suprematistisch doek van Malevitsj (naast zijn zelfportret uit 1933, toen hij onder de druk der omstandigheden weer realistisch was gaan schilderen). Het constructivisme uit de jaren twintig, van kunstenaars die de nieuwe maatschappij op een nieuwe, revolutionaire manier wilden vormgeven, wordt eenvoudig doodgezwegen.

De afbeeldingen in de catalogus tonen weliswaar dat het Sovjet-realisme diverse stilistische varianten kende, maar de inhoud van de schilderijen is minder gevarieerd: het 'edel humanisme' soldatenpathos, heldenverering, arbeidsvreugde en andere vormen van volkse blijmoedigheid voert duidelijk de boventoon.

Ondenkbaar

Toen ik de catalogus gelezen en bekeken had, bedacht ik dat een dergelijke, geheel door Moskou geregisseerde expositie van socialistisch goedgekeurde kunst in Nederland ondenkbaar zou zijn geweest. Zelfs bij de meest overtuigde communisten leefde hier het idee dat 'wat er daar met de kunst gebeurde' misschien wel historisch noodzakelijk, maar toch niet helemaal in de haak was. Zo'n tentoonstelling zou hier op enorme weerstand zijn gestuit. Socialistisch realisme was in het Westen eigenlijk alleen te zien op Wereldtentoonstellingen (zoals in Brussel, in 1958, waar de Sovjet-Unie een serie gespierde doeken toonde) of kunstmanifestaties als de Biennale van Venetie. (Voor het eerst sinds de vroege jaren twintig hingen in het Sovjet-paviljoen deze zomer weer abstracte schilderijen).

Voor de tentoonstelling Binnen de USSR en Erbuiten, die vorige week in het Stedelijk Museum door de Amsterdamse Wethouder van Cultuur, mevrouw M. Baak, werd geopend, zou De tweede Russische Tentoonstelling een bijzonder toepasselijke ondertitel zijn geweest. In 1923 werd in hetzelfde museum De eerste Russische Tentoonstelling gehouden (die kort daarvoor in Berlijn was) met experimenteel werk uit de jaren 1917-1922 van een groot aantal Sovjet-kunstenaars.

Tussen de eerste en de tweede Russische Tentoonstelling in het Stedelijk Museum bestaan allerlei overeenkomsten.

Beide exposities getuigen van een artistieke opleving in de Sovjet-Unie, de eerste vlak na de communistische omwenteling, de tweede na de afsterving van het communisme. De bedoeling van de eerste tentoonstelling was 'de gebroken cultuurgemeenschap tussen Rusland en West-Europa weer te herstellen'. De kunstenaar Petrus Alma sprak bij de opening in 1922 de hoop uit dat de expositie 'het contact tussen Oost en Westeuropa ten goede zou komen'. En wat zei de Wethouder van Cultuur in 1990? Ze zei dat een intensivering van de economische betrekkingen gewenst is en dat de kunst daarbij een belangrijke rol kan spelen. (Veel meer had ze niet te melden, maar dat zijn we van cultuurwethouders wel gewend).

De tentoonstelling van 1922 moest de 'Russische kunstenaars verlossen uit hun isolement', de kunstenaars die nu exposeren in het Stedelijk Museum werkten tot voor kort eveneens in een isolement: pas sinds 1986 kunnen ze in het openbaar exposeren.

In 1922 wekten in Amsterdam vooral de 'als wandversiering bedoelde ijzerconstructies' verbazing, constructies 'op wier doel en bestemming de practisch aangelegde bezoeker zich vruchteloos bepeinst', zoals een recensent schreef. De constructies werden vergeleken met 'speelgoedbrandladders of andere machinerieen'. Verder baarde de Russische kunst hier weinig opzien: 'De moderne kunst in haar verschillende schakeeringen van cubisme, expressionisme, primitivisme, zoals ze ook hier te zien is, kenden we reeds van Fransche en Duitsche exposities. Ze is een soort wereldtaal', schreef het Handelsblad. Het dagblad De Tijd was verheugd dat de tentoonstelling naast abstract, ook impressionistisch werk bevatte ('het alles nederwalsende Bolsjewisme heeft de Russische grootmeesters van het Impressionisme toch niet kunnen verpletteren.') Over 'het werk der nieuwlichters' schreef De Tijd: 'ook het meest extremistische, 'ist schon dagewesen'. Zo werd er in de meeste bladen lauw gereageerd, al meende Cornelis Veth, die de tentoonstelling in de Socialistische Gids besprak , 'dat in Rusland sinds de Revolutie eigenlijk niets nieuws op kunstgebied is geboren, niets elementairs, maar dat de in het brein van Parijsche nieuwlichters ontworpen modernismen bij de Russen die ze overnamen, iets gepassioneerds en iets in hooge mate suggestiefs hebben gekregen'; 'de totaalindruk is toch niet die van steriliteit.'

Die laatste zinsnede geldt ook voor de Tweede Russische Tentoonstelling: hoe gebrekkig de keuze ook is (waarom is er nauwelijks iets van de schilders Ivan Tsjoejkov, of Andrej Filipov te zien?) en hoe rommelig de inrichting.

De eerste Russische Tentoonstelling markeerde in 1923 het einde van een kort tijdperk: toen een jaar later in New York een overzicht van recente Sovjetkunst werd georganiseerd, mochten de 'ultramodernisten', (de suprematisten en constructivisten) al niet meer meedoen.

    • Lien Heyting
    • Cs Journaal