De onvermijdelijke val van Gustav Mahler

Gustav Mahler, de directeur van de Weense Hofopera, zat eens met zijn eveneens componerende, collega Engelbert Humperdinck in het cafe en vroeg hem of hij wellicht een jonge, talentvolle dirigent kon aanbevelen.

'Jazeker', zei Humperdinck. 'Een van mijn leerlingen. Leo Blech is de naam.'

'Blech?' vroeg Mahler. 'Blech? Een jood, neem ik aan?'

'Ja', zei Humperdinck.

'Jammer, dat gaat niet', zei Mahler. 'Zelfs niet als deze Blech zich heeft laten dopen. Zoals ik. Niettemin ben ik in de ogen van de antisemieten nog steeds een jood en meer dan een jood kan de Weense Hofopera zich niet veroorloven.'

De overgang van het jodendom tot het katholicisme was een absolute voorwaarde voor Mahlers benoeming geweest. Hij leidde de opera van 1897 tot 1907, een glorieus decennium waarin dit instituut grondig werd afgestoft. Het repertoire werd ingrijpend vernieuwd, uitgezongen zangers en zangeressen werden gepensioneerd, luidruchtig klossende laatkomers mochten de zaal niet meer in, er werd opgetreden tegen de luimen der primadonna's en primasignores, de door hen ingehuurde claque werd verboden en van de instrumentalisten en vocalisten werd discipline en precisie geeist.

'Mijn grootste verdienste', zei Mahler, 'is dat ik de musici dwing datgene te spelen wat er in de partituur staat.'

Zijn hoogste baas was keizer Frans Jozef. Diens woord was wet. Behalve voor de zelfbewuste en zendingsbewuste Gustav Mahler. Ook de ooit door Zijn Allerkatholiekste Majesteit gefavoriseerde, maar vocaal in het ongerede geraakte sopraan werd door hem genadeloos aan de dijk gezet.

Tot de hofcamarilla behoorde een componerende aartshertog die zich in zijn avonduren waarachtig aan een echte opera had bezondigd. Het was allemaal brandhout, natuurlijk. Niettemin liet Frans Jozef via een zijner ambtenaren weten dat het de keizerlijke en koninklijke wens was, dat deze opera door Mahler op het repertoire zou worden genomen. 'De wensen van Zijne Majesteit kan ik niet vervullen', zei Mahler. 'Wel zijn bevelen. Ik zal het op de affiches laten drukken: 'Op bevel van keizer Frans Jozef... de premiere van de opera X, gecomponeerd door aartshertog Y... '.'

Het was de laatste keer dat Mahler lastig werd gevallen.

Althans door de keizer. Het samenzweren tegen de artistiek leider van de nationale opera behoort tot op heden tot de oudste Oostenrijkse tradities. Dus was het onvermijdelijk dat Mahler inderdaad een ongemakkelijk, veeleisend en autoritair man op een gegeven ogenblik in moeilijkheden zou komen. In toenemende mate werd hij door de lokale dag- en weekbladen afgeschilderd als een 'halfgekke, grootheidswaanzinnige theatercaligula', een 'uit de goot omhooggekropen joods-boheemse vampier', wiens Nozzi di Figaro 'aan idiotie' zou grenzen en wiens Tristan 'gesproken, gedeclameerd, gelispeld, maar niet gezongen' werd.

Zijn val was onafwendbaar. Op 7 december 1907 hing hij zijn afscheidsbrief 'aan de geeerde medewerkers van de Hofopera' op het prikbord. 'In het strijdgewoel, in de hitte van het ogenblik, bleven wonden en misverstanden u en mij niet bespaard. Maar was een uitvoering geslaagd, dan voelden wij ons rijkelijk beloond. Mijn hartelijke dank aan hen, die mij in mijn moeilijke, vaak ondankbare taak terzijde hebben gestaan, die mij hielpen en aan mijn zijde hebben gestreden. Ontvang mijn oprechte wensen voor uw verdere levensweg en voor de toekomst van de Hofopera, waarvan ik de wederwaardigheden altijd met de grootst mogelijke belangstelling zal blijven volgen.'

Nog dezelfde dag werd Mahlers afscheidsbrief van het prikbord gerukt en in stukken gescheurd.

Gustav Mahler had zijn bureau allang ontruimd toen een zeventienjarige landgenoot op zijn beurt de pen ter hand nam teneinde de jongste ontwikkelingen op cultuur-politiek gebied in kaart te brengen. De geadresseerde was een oudere zuster van de briefschrijver. Zij moest zo snel mogelijk naar Wenen komen, beval haar broer. Want de nieuwe enscenering van de Tristan was formidabel. 'Zoiets schitterends maken wij nooit meer mee!' De briefschrijver had een der eerste opvoeringen bijgewoond, vanaf het schellinkje, want hij was even enthousiast als armlastig. Hij was zo van het genotene vervuld dat hij op straat in luid gezang was uitgebarsten, tot grote verbazing van de passanten. 'Dus maak haast!' sommeerde hij zijn zuster. 'Dit kun je niet je neus voorbij laten gaan!' In de laatste alinea's berichtte hij iets over de personele veranderingen die zich inmiddels aan de top van de Hofopera hadden voltrokken. 'Sinds 1908 fungeert de huidige directeur Felix von Weingarten (christen uit Munchen) als opvolger van Gustav Mahler (jood uit Wenen). Mahler erfde een uitgelezen ensemble, waarmee hij hoogst opmerkelijke resultaten wist te bereiken, maar door zijn in toenemende mate overspannen gedrag, door zijn willekeurig handelen en door zijn tirannieke optreden heeft hij de opera naar de rand van de afgrond gevoerd. Zijn vertrek was dus onvermijdelijk, ofschoon de Weense jodenkliek zich daarover in hoge mate heeft opgewonden. Bijgesloten een gedicht dat ik onlangs op muziek heb gezet.'

De schrijver van deze tot dusverre onbekende brief was de bloedjonge, kunstlievende Arthur Seyss-Inquart, van eind 1940 tot mei 1945 Reichskommissar fur die besetzten niederlandischen Gebiete, wat de consequentie had dat hij in oktober 1946 is opgehangen wegens misdaden tegen de vrede, oorlogsmisdaden benevens misdaden tegen de menselijkheid.

    • Martin van Amerongen