De mens als hoofd; Gebundelde essays van Charlotte Mutsaers

Vermoedelijk is het Charlotte Mutsaers zelf niet eens opgevallen, dat Carmiggelt het in haar nieuwe bundel Kersebloed nogal eens moet ontgelden. Het ergert haar, dat van het werk van Carmiggelt altijd wordt gezegd dat het ontroerend is, terwijl haar favorieten het meestal zonder zo'n kwalificatie moeten stellen. Het ergert haar dat Carmiggelt geacht wordt een gevoelsmens te zijn, in tegenstelling tot iemand als Hermans, wiens gevoelens eenvoudigweg minder prettig worden gevonden.

Het ergert haar dat Carmiggelt een soort copyright op de werkelijkheid had. Ongehinderd kon hij op straat en in de kroeg zijn oor te luisteren leggen bij talloze, gewone mensen, en veel succes oogsten met hun verhalen, 'terwijl de goegemeente moord en brand schreeuwt als iemand het waagt een zin gratis op te tekenen uit de mond van de bizondere mens'. Carmiggelt mag dan ook niet, hoewel zijn achternaam begint met een C, toegelaten worden tot de 'C-familie' van Mutsaers, omdat hij de daartoe benodigde 'C-factor' mist.

Arme Carmiggelt. Toch hoeven we ook weer niet zoveel medelijden met hem te hebben, want ik geloof niet dat Mutsaers het op hem persoonlijk gemunt heeft. Hij figureert in Kersebloed, een bundeling van de 'essays' (een betere term weet ik ook niet) die ze de laatste twee jaren schreef, vooral als vertegenwoordiger van een bepaald type: de populaire en sympathieke schrijver die de harten van een groot publiek heeft weten te veroveren. Wat zij schrijvers als Carmiggelt verwijt, is hun volgzaamheid. In hun streven om aardig gevonden te vonden, geven zij maar al te graag toe aan de publieke behoefte aan een lach en een traan.

Het meest verrassend is misschien nog wel dat zij Carmiggelt en ook Biesheuvel rekent tot de categorie der zogenaamde zware schrijvers. Te onderscheiden van lichte schrijvers als Celine en Kafka. Men voelt dus wel dat de begrippen licht en zwaar in de literatuuropvatting van Charlotte Mutsaers niet zozeer betrekking hebben op de inhoud, als wel op de vorm van de oeuvres van de genoemde schrijvers. Een lichte schrijver is in haar opvatting iemand die zware onderwerpen op een lichte, dat wil zeggen: afstandelijke, weinig toegankelijke manier behandelt. Een lezer moet moeite doen om in dit harde, want op het eerste gezicht ongevoelige universum binnen te dringen. Daarentegen staat bij de Zwaren, om zo te zeggen, de deur uitnodigend open, omdat zij geen omweg kiezen en van hun hart geen moordkuil maken.

Voorhoofd

Het zal duidelijk zijn dat Mutsaers een absolute voorkeur heeft voor de Lichten, voor uiteenlopende schrijvers als Krol, Cortazar, Chapkis, Battus alias Dolf Cohen (wiens voorhoofd wij in het hoofdstuk 'Frontaal' kunnen bewonderen), Renard, Stevie Smith, Armando, Hanlo en Ponge. Zij schaart zich achter al die schrijvers, die zich geen uitweg kiezen 'in dit verknipte leven' door zich een doornenkroon op te zetten, maar door 'af en toe eens in lachen uit te barsten'. Een houding die hun meer antipathie dan begrip oplevert. Waar de Zware het vooral van zwaarwichtige inhoud moeten hebben, daar excelleert de Lichte in de vorm, in de taal.

Zoals dat wel vaker het geval is met grove tweedelingen, is ook deze tussen lichte en zware literatuur een betrekkelijk willekeurige. Daar is op zichzelf niets tegen, als het niet zo was dat Mutsaers haar met gestrengheid hanteert. Zelfs spreekt zij van 'oorlog' tussen de veronderstelde tegenstrevers. Een ongelijke strijd, omdat de eigen partij grote namen in haar gelederen voert, terwijl de vijand voornamelijk uit anonymi bestaat.

Het is jammer dat Mutsaers zichzelf en ons in deze partijenstrijd heeft verwikkeld, want waarom zou men niet tegelijkertijd van Carmiggelt en Armando kunnen houden? Begrijpelijk is het intussen wel dat zij, na de onverkwikkelijkheden die volgden op De markiezin (1988) behoefte had aan medestanders, aan bondgenoten, aan een literaire familie. Zij verdedigt deze familie met verve, niet alleen tegen de zware jongens, maar tegen de hele vijandig geachte buitenwereld, tegen 'ze', tegen 'de mens in het algemeen', tegen 'de gemiddelde Nederlandse lezer', tegen 'de meeste mensen', tegen 'de menigte'. Zo krachtig zet ze zich af tegen al die 'zij's', dat haar eigen lichtheid er zwaar door op de proef wordt gesteld. De verongelijkte ondertoon in veel van de stukken in Kersebloed laat weinig ruimte voor een hartelijke lach.

Snuifjes

Door al het geschrijf over hoe er geschreven en trouwens ook gelezen zou moeten worden, door al het geschrijf over vorm en inhoud 'in het groot', komt ze bovendien aan de beloofde 'stukjes, de beetjes, de scherven, de snuifjes en de snippers' en al die andere veronachtzaamdheden nauwelijks toe.

De (hoofd)stukken die zich onttrekken aan de richtingenstrijd en die niet uit zijn op zelfrechtvaardiging of rehabilitatie, maar daadwerkelijk over stukjes en beetjes gaan, zijn mij het liefst. Mooi is bij voorbeeld het stuk waarin Mutsaers de hypothese verdedigt dat de mens van al zijn lichaamsdelen het meest gelijk is aan zijn hoofd. De mens als hoofd, dus. Maar een hoofd bestaat ook weer uit stukjes en beetjes, zodat de vraag gewettigd is welke van die onderdelen gemist kunnen worden zonder dat men van persoonsverlies kan spreken. Het antwoord wordt gegeven door een even gruwelijke als intrigerende foto van een ernstig beschadigd soldatenhoofd. Het wezen van dat neus-, mond- en praktisch wangloze hoofd, blijkt te schuilen in de ogen, die de spiegels vormen van een ongetwijfeld desolate ziel.

Dat een tweedeling trouwens niet altijd op een onverzoenlijke richtingenstrijd hoeft uit te lopen, bewijst Mutsaers zelf in het nogal komische 'The whole tree or not a cherry on it', waarin het gaat om de vraag waaruit het wezen van de boom bestaat. Volgens sommigen ligt zijn wezen in zijn winterse gestalte, in kale takken zonder blad. Maar wat is dat voor een rare boom, merkt Mutsaers terecht op, die zijn eigen bladeren ontkent? Zij behoudt zich het recht voor nu eens in kale takken, dan weer in overvloedig lover haar heil te vinden. Zij maakt duidelijk dat het bij de twee verschijningsvormen van de boom niet gaat om essentie, maar om smaak.

Misschien zou zij zich nog meer door haar smaak moeten laten leiden. In deze bundel baant Charlotte Mutsaers zich een weg. Vogelvrij, zoals ze ergens zegt, voelde ze zich al. Om te kunnen schrijven wat haar hart en verstand haar ingeven, zal ze zich helemaal moeten bevrijden, van de goegemeente en misschien zelfs ook wel van haar eigen familie, opdat het kersebloed voortaan kruipt waar het gaan wil.

Charlotte Mutsaers: Kersebloed. Uitg. Meulenhoff, 183 blz. Prijs fl.39,50.

    • Janet Luis