De discussie over het nagelaten werk van J. H. Leopold; Erkomt niet uit de kruik dan wat er in is

Hoeveel gedichten schreef de dichter J. H. Leopold? Zijn nagelaten werk is een onoverzichtelijk oerwoud van voltooide, half-voltooide en in het geheel niet voltooide gedichten. In zijn proefschrift probeert Dick van Halsema de bronnen van elf nagelaten gedichten te achterhalen, waarbij hij bijna een met Leopold wordt. Helaas: 'De verloving tussen dichter en onderzoeker werd verbroken.'

Een lezingencyclus in Groningen en een matinee in Tilburg. Een nieuwe wetenschappelijke en een nieuwe leeseditie van zijn poezie. Drie proefschriften over zijn werk. Handschriftonderzoek, duiding van de genese, tracering van de bronnen. Studies over zijn precieze plaats in de literatuurgeschiedenis. Bekroning van dit alles: plaatsing op de lijst van 21 van Anbeek, Bekkering en Goedegebuure.

Het gaat om de poezie van J. H. Leopold. Men mag dus aannemen dat er mensen zijn die 'de gedichten van Leopold het mooiste van het mooiste vinden', zoals K. L. Poll hier, in een reactie op het voorstel voor de lijst, veronderstelde. Maar over smaak valt te twisten en daarom kon Poll in dezelfde bijdrage beweren dat hij in 'die gedichten' van Leopold niet veel meer zag dan 'hoogdravend, machteloos gestamel van een larmoyante geest.' En men mocht dus, met Poll, de vraag stellen: 'Wie geven we gelijk?' Ik zou zeggen: Poll vooralsnog niet, al was het alleen maar omdat hij geen enkel argument voor zijn gelijk aandroeg, terwijl hij zich nu juist zo breed maakte voor een literatuuronderricht dat de leerlingen leert 'om iets meer op een boek te antwoorden dan alleen 'niets aan' en dat soort nietszeggendheden.'

Poll vond er dus niets aan, al maakte hij een voorbehoud voor 'de vertalingen en bewerkingen'. Daarmee bedoelde hij de 'Oostersche' afdelingen, met vertalingen en bewerkingen van Perzische en Arabische dichters. In die verzen, en dan vooral in de kwatrijnen, is weinig ruimte voor larmoyant gestamel. De ongeduldige lezer wordt er vlot onthaald op een conclusie, in de vorm van een sententie, een standpunt, een pointe. Dit is er een van, naar een gedicht van Beha'ad-Din'Amili:

Hij minacht mij, wiens eigen wezen min is

en hij vindt goed, die zelve goed van zin is;

wie anderen bespreekt, bespreekt zichzelf,

er komt niet uit de kruik dan wat er in is.

Overigens maken de vertalingen en bewerkingen een fiks deel van Leopolds oeuvre uit. Bovendien is de grens tussen 'bewerking' en 'oorspronkelijk gedicht' bij hem vaak moeilijk aan te geven, zozeer legde hij zijn eigen idioom aan de buitenlandse bron op. Tegelijk is van nogal wat 'eigen' gedichten juist komen vast te staan dat ze ontstaan zijn uit een intensieve omgang met allerlei bronnen. Misschien is Poll dus wel een grotere Leopoldliefhebber dan hij zelf zou willen.

Ook om andere redenen is het niet goed mogelijk om al te vlot over het werk van Leopold te spreken. Het werk van Leopold is een veranderlijke grootheid. En met deze kwestie bevinden we ons meteen op het onoverzichtelijke terrein van de Leopold-uitgaven. Toen hij in 1925 overleed liet hij niet enkele aanzetjes na, maar het materiaal van de laatste tien produktieve jaren van zijn leven, bestaande uit gedichten in alle stadia van bewerking: enkele voltooide en min of meer voltooide gedichten, nogal wat onvoltooide gedichten en talloze schetsen en fragmenten, verspreid over een grote hoeveelheid papieren en papiertjes: een 'delta van onvoltooid werk waarin het oeuvre uitloopt' om met Leopold-onderzoeker Dick van Halsema te spreken.

Oerwoud

Hoe geeft men een delta uit? De geschiedenis van de uitgave van Leopolds werk is er een van onenigheden, verschillen van mening en zich wijzigende opvattingen maar vooral van onoplosbaarheden. Met de stelling van P. N. van Eyck dat 'de uitgave van Leopold's nalatenschap een voor werkelijk bevredigende oplossing niet vatbaar probleem is' is inmiddels iedereen het wel eens. Sommige woorden zijn onleesbaar. Regels bevatten open plaatsen, losse notities en 'open varianten': woorden of zinnen waaruit nog niet gekozen was. Verschillende versies van verschillende gedichten staan door elkaar heen genoteerd. Er zijn aanwijzingen voor het samenvoegen van gedichten of juist voor het verzelfstandigen van onderdelen; voor de vorming van reeksen, maar soms tegelijk ook weer voor andere schikkingen. En er zijn tientallen regels, schetsen en aanzetten tot strofen die bij een bepaald gedicht gedacht kunnen worden, maar misschien ook niet.

Wil men een dergelijk oerwoud van onvoltooidheden uitgeven, dan zijn er twee mogelijkheden. De ene is meedichten en laten zien welke richting Leopold vermoedelijk ingeslagen zou zijn. Dat is wat P. N. van Eyck in de jaren dertig gedaan heeft, resulterend in de tweedelige uitgave van het Verzameld werk die nog steeds in de handel is. De andere mogelijkheid is de neiging tot meedichten weerstaan, en alle richtingen laten zien die Leopold nog in kon slaan. Die laatste manier van uitgeven begon in de loop van de jaren zeventig voorstanders te krijgen, zeker toen uit vergelijking met de handschriften duidelijk werd welke vrijheden Van Eyck zich veroorloofd had en welke onzinnigheden zijn editie bevatte. Het nieuwe inzicht leidde tot een wetenschappelijke uitgave, waarin behalve de gedichten ook alle voorstadia, en trouwens ook allerlei andere gegevens (over datering, bronnen, ontvangst), waren opgenomen.

Gelet op het aantal pagina's (2150, verdeeld over zeven banden) was het oeuvre daarmee uitgebreid, maar in werkelijkheid was het fiks gekrompen. Het aantal teksten dat volgens Van Vliet en Sotemann nog met enige redelijkheid 'gedicht' genoemd kon worden was flink afgenomen. Men kan het verschil snel zijn in de tweedelige leeseditie die op basis van deze wetenschappelijke uitgave is gemaakt. In het al in 1982 verschenen eerste deel, dat de tijdens het leven van de dichter gepubliceerde poezie bevat, zijn de verschillen met Van Eyck natuurlijk niet zo groot. Maar de dunte van het nu verschenen tweede deel, Nagelaten poezie, zegt genoeg. Alleen die gedichten werden opgenomen die de stadia van schets, eerste en tweede kladversie hebben overleefd. Dat betekende bijvoorbeeld dat 29 gedichten, die nog wel met veel haken en ogen in de wetenschappelijke editie opgenomen konden worden, deze leeseditie niet eens hebben gehaald. Van de overeenkomstige 400 pagina's van Van Eyck is hier niet veel meer over: zo'n 120 gedichten, waarvan ook nog eens een groot deel voorzien is van acolades, teksthaken, losse notities of open plekken die aangeven dat ze hun definitieve versie nog lang niet bereikt hadden.

Raadselachtig

Wie vertrouwd is geraakt met de Leopold van Van Eyck mist hier dus veel: sommige reeksen zijn verdwenen, nogal wat gedichten (dat wil zeggen: door Van Eyck tot gedicht gemaakte regels) ontbreken en binnen de wel gehandhaafde gedichten vindt men allerlei regels niet terug. Het verlies is uiteraard het grootst bij die mooie, raadselachtige, experimenteel aandoende schetsen en fragmenten, die vaak meer bewonderd zijn dan zijn eigenlijke werk. Dit is er een van dat wil zeggen, dit was er volgens Van Eyck een:

Lippen, die zelden morden,

zoo ben ik oud en grijs geworden

overgebleven

alleen

En deze:

Mijn huis ligt open hemel

en wendt den rug toe naar den weg

er voert alleen een voetpad heen

steil

De nieuwe editie laat dus een danig geaborteerd oeuvre zien, en het valt alleen maar te hopen dat wat nu afgedreven is ooit nog eens in een vervolgdeel onderdak zal kunnen vinden. De grote winst van de nieuwe uitgave is niet in de kwantiteit, maar in de kwaliteit gelegen: in de prettige zekerheid dat dit de tekst is zoals die in al zijn onvoltooidheid door de dichter (en niet door de editeur) is overgeleverd, en in de wonderlijke ervaring dat de wel gespaard gebleven gedichten er zoveel mooier door geworden zijn. De gladde maaksels van Van Eyck steken bij deze tekststelsels pover af: als de armoe van het voltooide bij 'de rijkdom van het onvoltooide'. Er is moed voor nodig geweest om de Gordiaanse knoop die Leopolds nalatenschap is niet door te hakken, maar de knoop de knoop te laten. Daarom kan de uitgave van Van Vliet en Sotemann even goed zakelijk als bij uitstek dichterlijk genoemd worden: zij doet recht aan zulke saaie eisen als objectiviteit en controleerbaarheid, maar tegelijk aan de geest van de dichter. Leopold had geen haast, en was niet op snelle conclusies uit; voor hem was dichten belangrijker dan het gedicht. Het aardige van deze zogenaamde leeseditie is dat grote delen ervan dan ook niet meer te 'lezen' zijn. Wat men, zich buigend over deze verzen in aanbouw, doet, is niet lezen, maar een staat reconstrueren, een omcirkelende bewustzijnstoestand die tegen de definitieve formulering aanhikt. De lezer moet het gedicht laten schieten, ten gunste van het meedichten.

Er gaat van Leopolds poezie iets dwingends uit. Men wordt in het dichtende brein van de dichter getrokken, en die zuigende werking is vanzelfsprekend het grootst bij de onvoltooid gebleven gedichten. Zo bezien getuigt Dick van Halsema's studie Bijeen het vroeger en het later van een grote weerbaarheid. Hij slaagde erin zijn onderzoek te beperken tot maar elf nagelaten gedichten. Maar daar moet meteen aan toegevoegd worden dat zijn boek ook getuigt van een al even grote overgave, want zijn waarnemingen over alleen deze elf gedichten beslaan 550 dichtbedrukte bladzijden. Bijeen het vroeger en het later zou, volgens de ondertitel, handelen over 'de dichter Leopold en zijn bronnen' maar in werkelijkheid behandelt Van Halsema veel meer. Zijn bronnenstudie is ook een studie over de werkwijze van de dichter en over zijn thematiek, ook een interpretatie van zijn poezie en van zijn filosofische, religieuze en dichterlijke opvattingen en niet in de laatste plaats een aanzet tot een biografie. Zij is dus in zekere zin ook nog eens de rechtvaardiging van al die nieuwe uitgaven van het werk van Leopold, omdat Van Halsema aantoont welke rijkdom er in dit onvoltooide universum verscholen ligt.

Hij laat zien welke bronnen een rol hebben gespeeld bij het werken aan dit groepje van elf nagelaten gedichten. Eerst geeft hij van ieder gedicht-in-wording een heldere ontstaansgeschiedenis en vervolgens maakt hij duidelijk hoe in deze bouwputten de bronnen zijn ingebracht. Er zijn twee soorten bronnen, die in de twee delen van het proefschrift afzonderlijk behandeld worden, maar in werkelijkheid natuurlijk gelijktijdig van invloed waren: contemporaine en antieke. Bij de contemporaine gaat het om afzonderlijke teksten (een reisverhaal van Louisa Jebb, enkele gedichten van Whitman, Mallarme en Boutens) die mogelijk tijdens het dichten op tafel hebben gelegen. Bij de antieke bronnen gaat het om een heel complex van voorstellingen, gebaseerd op een niet scherp af te bakenen corpus van Griekse, Latijnse, oosterse, bijbelse en mystieke teksten en studies daarover die de classicus Leopold in zijn hoofd meedroeg. Leopold was niet uit op pasklare citaten; hij ging een dialoog met de bron aan, en raakte dan ook wel eens in een discussie verzeild met als gevolg dat de bron soms enkele sporen naliet, maar soms in een latere versie ook weer weggewerkt werd. De meest spectaculaire (want aanwijsbare) ontleningen zijn in het eerste deel te vinden, al kun je je soms afvragen of ze wel zo localiseerbaar zijn als Van Halsema op een gegeven moment is gaan geloven (Mallarme bijvoorbeeld). Het tweede deel is al even spectaculair, maar nu juist vanwege de grote greep: het bijeenbrengen van zulke verschillende wereldbeelden, al dreigen hier de verbanden tussen bijvoorbeeld antieke extase-motieven en Leopold wel eens wat Jungiaans-archetypisch te worden.

Dat Van Halsema zijn greep op dit geheel heeft weten te behouden is knap en dat hij bij dit alles zijn levendige stijl heeft weten te bewaren is een wonder. Met kennelijk plezier wordt dorre materie hier omgestookt tot een spannende en geestige roman. We zien Leopold in zijn bakkerijtje ('Het lijkt of Leopold het nieuwe deeg doet rijzen door er een beetje van het vorige in te doen') dan wel in zijn laboratorium, 'paardesprongen' makend van de ene bron naar de andere. We zien hem 'de geheime handelingen van de alchemist uitvoeren', en als de onderzoeker een enkele keer ook niet meer weet waar de dichter zijn bronnen verstopt heeft, dan wordt hem dat van harte (maar niet heus) gegund: 'De laatste versie is in zijn intertekstualiteit ondoordringbaar: het gedicht is Leopolds particuliere feestje, in hermetische eenzaamheid gevierd.'

Wie zo kan schrijven moet zich verregaand met de dichter vereenzelvigd hebben. Op nogal wat plaatsen wordt Van Halsema via genese, bronnenonderzoek en interpretatie als vanzelf verleid tot voorzichtige psychologische duidingen: van Leopolds eenzaamheid en afzondering, en van zijn verlangen om deel te hebben aan een grotere gemeenschap. Poezie vervulde daarin voor hem een existentiele functie: het gedicht was een vluchtplaats, maar ook de plek waar een mogelijke ontmoeting gearrangeerd kon worden. Met de titel Bijeen het vroeger en het later wil niet alleen verwezen zijn naar de vroegere en de latere bronnen die in een gedicht werden bijeengebracht. De titel geeft ook uitdrukking aan het besef dat zo verbindingen over eeuwen heen gelegd kunnen worden en wat belangrijker is dat Leopold zich zelf in zo'n tijdloos verband opgenomen kon zien. In deze denkbeeldige kring zou zijn eenzaamheid zijn opgeheven. Van Halsema wijst erop dat de kring daarmee niet gesloten is. Dit bijeenbrengen van het vroeger en het later gaf Leopold op zijn beurt de kans 'zijn later te creeren waarin zijn lezer, over tijd en dood heen, met hem bijeen zou zijn.'

Dat is een mooie gedachte. En het had zo'n mooie afronding kunnen zijn van een jarenlange omgang met de poezie van Leopold. Maar het heeft niet zo mogen zijn. De verloving tussen dichter en onderzoeker werd verbroken, zoals afgeleid kan worden uit de lezing die Van Halsema bij de herdenking van Leopolds 125ste geboortedag uitsprak. De tekst is te vinden in het vijfde nummer van het Leopoldcahier, onder de titel 'De man en de masque. Enkele opmerkingen bij een toekomstige Leopoldbiografie'. Het is een in alle opzichten sensationeel stuk: omdat het de sensatiezucht bevredigt, omdat het geschreven werd door iemand die zich tot nu toe juist in het werk van Leopold heeft verdiept, maar vooral omdat hij aannemelijk maakt dat er overeenkomsten zijn aan te wijzen tussen de ontwikkeling van Leopolds 'zielsgesteldheid' en zijn werkwijze als dichter. Tekstgenetisch onderzoek als bijdrage tot de kennis van de biografie dat is nog niet eerder vertoond.

Nukkig

Wie was de man en hoe zag zijn masque eruit? De termen zijn van R. Jacobsen, een oud-leerling, -collega en -vriend van de dichter, die in zijn goedheid bereid was te geloven in twee Leopolds. De 'man' was de levenslustige collega en goede vriend, de echte Leopold. De 'masque' was de afwerend eenzelvige Leopold die zich om zijn kwetsbaarheid te beschermen nukkig afsloot van de buitenwereld. Van Halsema moest op grond van andere getuigenissen en nieuwe gegevens wel tot een ander inzicht komen. De man en de masque bestonden niet naast elkaar, maar eerder na elkaar: de man werd in de loop der jaren steeds meer masque. Bovendien gebeurde dat veel vroeger dan tot nu toe gedacht werd. En ten slotte was eenzelvigheid een te vriendelijke aanduiding voor Leopolds gedrag.

Doofheid, argwaan, achterdocht, rancune, woede-aanvallen, komplot-theorieen, conflicten met al zijn collega-leraren, verstoting van al zijn vrienden ze voeren geleidelijk tot deze voorzichtig geformuleerde diagnose: Leopold leed aan achtervolgingswaan. Van Halsema geeft daarvoor genoeg bewijzen, ontluisterende voorbeelden van kwaadaardig gedrag. Dit is een betrekkelijk onschuldig, en ook wel hilarisch voorbeeld, genoteerd door de arme Jacobsen die zich van geen kwaad bewust was: 'Als hij mij in de gang ontmoette, kon hij mij giftig ironisch toeknikken, als wilde hij zeggen: 'ik heb jou wel in de gaten'. Gingen wij beiden de trap op, dan kwam hij zo luidruchtig achter mij aanstampen, dat de kinderen ervan opkeken.'

Het is pijnlijk om dit alles te lezen: omdat het gedrag van paranoici zo pijnlijk is, en natuurlijk omdat het afbreuk doet aan het beeld van de grote dichter Leopold. Toch moeten we Van Halsema er dankbaar voor zijn, al was het alleen maar omdat Leopold door alle hooggeleerde aandacht onmenselijk verijld dreigde te raken. Dit expose over zijn soms onmenselijke gedrag zorgt voor enig evenwicht, en maakt zijn werk wellicht zelfs toegankelijker. Het heeft wel iets intrigerends om te bedenken dat al die mooie gedichten geschreven werden door iemand die stampte op de schooltrap als collega Jacobsen voor hem liep. Door iemand die dreigde een andere oud-leerling en -vriend, F. Schmidt-Degener, 'van de trap af te smijten en hem hoed en jas uit het raam na te gooien', en het nog meende ook, want de dichter was volgens Jacobsen sterk genoeg om handtastelijk te worden als het erop aankwam. Maar het kan vast ook geen kwaad om te bedenken dat Leopold bij zijn leerlingen erg geliefd bleef, tot en met zijn laatste dag als leraar. En dat hij zo mooi kon schaatsen. Dat hij een verwoed alpinist was, en op zijn vijftigste nog wilde leren tennissen. En dat in zijn nalatenschap tussen de dichtregels ook aanwijzingen aangetroffen kunnen worden als 'niet te veel gelul' en 'alles mag als het maar gek genoeg is'.

Misschien zijn er dus nog wel meer Leopolds dan die ene, de man die onder zijn masque verdween. En waar is in dit schema de dichter gebleven? Hij lijkt zich er aan te onttrekken. Van Halsema is geneigd te denken dat de kwade kant van zijn intellectueel vermogen zich uitputte 'in de constructie van complotten waarvan hijzelf het middelpunt was'. Gelukkig werd de heldere kant van zijn intellect geheel in beslag genomen door andere 'waanconstructies', waarvan hijzelf al evenzeer het middelpunt was: die van zijn poezie.

J. D. F. van Halsema: Bijeen het vroeger en het later; de dichter Leopold en zijn bronnen. Een onderzoek naar de verwerking van de bronnen in een groep onvoltooide gedichten uit de nalatenschap van J. H. Leopold. Uitgeverij Veen. Twee banden, 546 en 94 blz. Prijs fl.59, -. J. H. Leopold: Verzamelde verzen. Deel II. Nagelaten poezie. Editie H. T. M. van Vliet en A. L. Sotemann. Uitgeverij Athenaeum-Polak en Van Gennep. 204 blz. Prijs fl.45, - (ingen.) Een open letterschat. Leopoldcahier V. Uitgeverij Stichting J. H. Leopold, Postbus 3060, 5003 dB Tilburg. 88 blz. Prijs fl.26,50.

    • Guus Middag