Bravo; Afscheid van Joan Sutherland na 1750 optredens

De Australische sopraan Joan Sutherland zingt volgende week dinsdag in de Opera van Sydney haar laatste rol: Marguerite de Valois in Les Huguenots van Meyerbeer. Heel lang al is 'La Stupenda' ('de overweldigende'), zoals de Italianen haar noemden, een levende legende. In ons land trad ze vele malen op, de laatste keer in 1982, in de opera Lucia di Lammermoor. Kasper Jansen ziet haar met spijt van het podium gaan maar troost zich met de opnamen die ze heeft gemaakt: 'Het allermooiste is het natuurlijk om op een stille middag Sutherlands versie te draaien van Qui La Voce Sua Soave uit Bellini's I Puritani.'

Het laatste optreden van Joan Sutherland is voor haar bewonderaars geen afscheid. Natuurlijk, op 2 oktober zou ik het liefst helemaal aan de andere kant van de aardbol zijn: in de opera van Sydney, waar Joan Sutherland in haar geboortestad, na een carriere van 42 jaar voor het allerlaatst op het podium staat. Daar, in het mooiste operatheater ter wereld, onder die smetteloos witte schelpen die boven het water lijken te zweven, daar bereikt voor het laatst de kunst van de mooist zingende zangeres ter wereld rechtstreeks de oorschelpen van de luisteraar. Wat een exquis en decadent genoegen moet het zijn om te behoren tot die selecte bevoorrechten!

Maar gelukkig kan men Sutherland ook na die avond tot in de verre toekomst elke dag voor het eerst of weer opnieuw thuis op de plaat horen, bovendien in een groot aantal rollen. En wie Joan Sutherland ooit op het podium of in de concertzaal heeft gehoord, bewaart aan haar een onuitwisbare herinnering. Bij haar eerste opkomst al voelde men die imponerende aanwezigheid van de legendarische ster met een luisterrijke gestalte, die meestal dwars door de muziek heen applaus uitlokte nog voor ze een noot had gezongen. In de zaal vermenigvuldigden verwachting, spanning en vrees elkaar: zal ze die perfectie, die we van haar kennen en eisen, ook deze keer werkelijk kunnen waarmaken?

Als Sutherland dan haar eerste noten zong, dan gebeurde het onmogelijke: ze kopieerde als het ware zichzelf. We hoorden dat ze haar verbijsterende techniek en geperfectioneerde coloraturen die we van haar platen kenden, ook in het theater kon herhalen. En door de opwinding leek alles in de werkelijkheid bovendien zelfs mooier en indrukwekkender, schenen de langste noten nog langer en klonken de hoogste steeds hoger. Het was de betovering van de wereldster, die straalde en fonkelde.

Een keer mocht ik dat vanuit de coulissen zien en horen, eind 1978 in het Scheveningse Circustheater, toen Sutherland daar Norma zong. De voorstelling was al begonnen, Pollione en Flavio stonden daar op het toneel het begin van de eerste acte te zingen. Even later, geroepen door het koor van Druiden, zou Sutherland op moeten om Casta diva te zingen, een van de moeilijkste opgaven voor een sopraan. Maar ondertussen stond ze daar vrolijk en volledig ontspannen, alsof er niets aan de hand was, met mij nog wat te praten. Dat het hinderlijk kil was in dat merkwaardige theater van gegolfd plaatijzer, gelegen in een desolate vlakte; dat ze zich nauwelijks had ingezongen en nog zo wat. ..' Sutherland draaide zich om en stapte het podium op om waardig, met wat slepende tred naar het midden te schrijden. In een seconde was ze veranderd van een rillerige, maar opgewekt werkende vrouw in een statige en verheven priesteres, die het luidruchtige volk terechtwijst: roerigheid en rebellie zijn niet gepast, zo dicht bij haar altaar. Veel meer dan bij de vorige voorstellingen in Amsterdam klonk dat fel en gebiedend, om daarmee haar stem los te maken.

Hemelse stem

Toen zette in de orkestbak dirigent Richard Bonynge, Sutherlands echtgenoot, de melodieuze inleiding in van Casta diva, sereen en met vervoerende zacht-lyrische plechtstatigheid. Sutherland zong met hemelse stem haar aanroeping van de kuise godin, op een manier zoals alleen zij dat kon doen.

Volkomen moeiteloos klonk het, alsof ze al die noten als luchtbelletjes in zichzelf liet opborrelen en vervolgens uit haar keel naar boven liet zweven. Ze regen zich aaneen tot een elegante sliert van klanken, bij trillers en versieringen wellustig in spiralen her en der kronkelend, maar verder vrij heen en weer bewegend en vooral naar boven, in onbereikbare hoogten uitwaaierend.

Al was uiteraard het tegendeel het geval, het leek alsof Sutherland geen beperkingen en begrenzingen kende, niets anders hoefde te doen om die volmaaktheid tevoorschijn te brengen dan daar te staan en haar mond te openen.

Voor mij was dat gadeslaan van de diva op de werkvloer opnieuw een bevestiging van die overweldigende, zelfs bovenaardse indruk die Joan Sutherland op mij maakte toen ik haar voor het eerst hoorde. Dertien of veertien jaar was ik, toen op een zondagmiddag in het operaprogramma van de BRT haar eerste plaat werd gedraaid: aria's uit Lucia di Lammermoor, Ernani, I Vespri Siciliani en Linda di Chamonix. Het was die nog steeds ongeevenaarde hallucinerende ervaring bij het beluisteren van haar Waanzinscene uit Lucia, die van mij niet alleen op slag een Sutherland-fan maakte maar ook voorgoed een operaliefhebber.

Ja, ik weet wel dat Callas die Waanzinscene eerder zong, heel anders en ook beter misschien, in ieder geval dramatischer, persoonlijker, getergder en indringender! Maar die opname had ik toen nog nooit gehoord en die eerste puberale passie voor Joan Sutherland, voor die pure schoonheid, haar etherische esthetiek en die bovenmenselijk aandoende coloratuurtechniek laat zich nooit meer uitwissen.

Bovendien: niet alleen onwetende kinderen maar ook anderen, oudere en ervarener operaliefhebbers lieten zich op eenzelfde wijze imponeren door Sutherlands vertolking van Lucia, die ze voor het eerst op 17 februari 1959 zong in het Londense operahuis Covent Garden. Haar eerste aria Regnava nel silenzio werd beloond met een overdonderend applaus, dat aan het eind van de acte werd herhaald. Na het sextet Chi me frena moest Sutherland keer op keer voor het doek komen, hoewel er toch in dit nummer ook vijf andere zangers op het podium hadden gestaan. En na haar vertolking van de lange Waanzinscene leken de ovaties geen einde meer te nemen.

Verliefd

Sutherland was eindelijk een wereldster, bijna acht jaar nadat ze Australie voor het eerst vaarwel had gezegd met een afscheidsconcert in Sydney om geld bijeen te brengen voor haar verdere studies in Londen. Daar werd ze opgewacht door een landgenoot, de pianist Richard Bonynge, die in Sydney al verliefd was geworden op de mogelijkheden van haar stem.

Aanvankelijk werd Sutherland nog beschouwd als een dramatische sopraan, maar onder leiding van Bonynge, met wie ze in 1954 trouwde, werd Sutherland omgevormd tot een lichte, lyrische coloratuursopraan. Ze moest de reincarnatie worden van de legendarische zangeressen uit begin van de vorige eeuw: Giuditta Pasta, voor wie Bellini Norma, La Sonnambula en Beatrice di Tenda schreef, Giulia Grisi en Marie Malibran.

Pas 438 optredens na haar eerste rol in Covent Garden in 1952 (Erste Dame in Die Zauberflote) bereikte Sutherland dat doel met haar spectaculaire Lucia-vertolking. Niet alleen de vocale creatie was opzienbarend maar ook de presentatie, die zij had ingestudeerd met regisseur Franco Zeffirelli. De psychologie van die Waanzinscene is even complex als de uitzinnige opeenvolging van Donizetti's noten: een afwisseling van verdriet, zelfverwijt, wanhoop en extatische waandenkbeelden, wanneer Lucia een moord heeft gepleegd op haar echtgenoot Arturo, met wie ze door haar broer gedwongen was te trouwen.

Dank zij Zeffirelli kregen de vocale capriolen dramatische zin en geloofwaardigheid. Bovendien bleek de forse, anders zo moeilijk bewegende Sutherland, in staat ook werkelijk te acteren en zelfbewust profijt te trekken van haar uiterlijk. Na de vijf eerste triomfantelijke Lucia-voorstellingen in februari onderging ze in maart '59 een riskante, maar succesvolle operatie om haar te verlossen van frequente ontstekingen in neus- en voorhoofdsholten en was Sutherland klaar voor de dertienhonderd operavoorstellingen en recitals die ze daarna nog zou zingen.

In totaal 206 keer heeft Sutherland Lucia di Lammermoor gezongen, de laatste keer in november 1988 in Barcelona, bijna dertig jaar na die eerste voorstelling. Ook bij de Nederlandse Opera zong ze Lucia, een serie van negen voorstellingen in 1982. Het was verbijsterend te horen en te zien hoe ze toen nog steeds haar faam en absolute topniveau kon waarmaken. Natuurlijk was haar stem niet meer dezelfde, Sutherland was de eerste om dat zelf uit te leggen. Maar ze vond haar zingen steviger en rijper geworden en achtte dat in deze rol een voordeel.

Het was in die Lucia de laatste keer dat ik Sutherland op het podium zag. Het was een ongelooflijke ervaring om haar in de Amsterdamse Stadsschouwburg tijdens die Waanzinscene, nog steeds zoals Zeffirelli haar had geleerd, naar achteren te zien rennen terwijl ze intussen die uitzinnige coloraturen zong. En om ontroerd te worden toen ze met een gelukzalige blik een gruwelijk bebloede doek als een sluier over het hoofd legde.

Ravijn

In dezelfde Stadsschouwburg had ik Sutherland ook voor het eerst gezien, toen zij ze daar tijdens het Holland Festival 1973 zong in de opera Rodelinda van Handel. Gezichten en handen van de in fluweel geklede figuranten, die met nuffige elegantie af en toe een krukje verzetten, waren met zilver en goud geschminkt. De transparante barokke decors oogden als filigrain. Verder kon men alleen genieten van een bijna eindeloze serie aria's met fragiele en kunstige versieringen die mij tenslotte geheel in trance bracht.

Na afloop was het applaus van het publiek vooral voor Huguette Tourangeau, een zangeres met midden in haar stembereik een leegte als een peilloos diep ravijn. Afdalend van heel hoog moest ze plotseling omklappen naar een vervaarlijk grommend laag en daarmee oogstte ze enorm succes. Voor Sutherland was er aanmerkelijk minder bijval, totdat er van een van de balkons fanatiek en langdurig geschreeuwde bravo's weerklonken, waarna Joan Sutherland verrast naar boven keek. Die bravo's waren van mij en ik was er nog zeer tevreden dagenlang schor van.

Natuurlijk, veertien jaar nadat ik haar voor het eerst hoorde, wist ik toen ook wel dat Sutherland niet alles kon zingen en dat er meer moois is dan het capricieuze Handel-repertoire en het epaterende coloratuurwerk. En ook later zou ik nog wel merken dat lang niet alles dat Sutherland en Bonynge deden helemaal ideaal is. Begrijpelijk is het wel dat Sutherland in al die lange jaren niet altijd Lucia's en Norma's en Sonnambula's en Beatrice di Tenda's kon blijven zingen en dat het repertoire werd verbreed tot die indrukwekkende lijst van meer dan veertig titels.

Die Wagner-plaat uit '79 is toch vooral een curiosum, ook al kan men beweren dat er misschien in de vorige eeuw ook zo werd gezongen. En voor het veristische repertoire is Sutherland ook niet de meest geschikte zangeres. De latere opnames van Lucia di Lammermoor en La Traviata vormen wat het aandeel van Sutherland betreft uiteraard belangrijk en interessant vergelijkingsmateriaal. Richard Bonynge is ontegenzeglijk uitgegroeid tot een capabel dirigent: de platen van Donizetti's Maria Stuarda bijvoorbeeld houden de herinnering levend aan dat meeslepende en indrukwekkende slot van de voorstelling die Sutherland en hij daarvan in 1977 gaven bij de Nederlandse Opera.

Soms, zoals in de tweede Lucia, lijkt Bonynge echter al te gefixeerd op het exposeren van sommige kwaliteiten van de stem van zijn echtgenote, die bij langzame tempi inderdaad beter uitkomen, helaas ten koste van vaart en drama. En de opname van Rodelinda uit 1985 nog steeds met Tourangeau, zij het in een andere rol klinkt zo dof en stoffig dat die wel lijkt te zijn gemaakt in een biechtstoel.

Maar die vroege opnamen: Traviata en Lucia gedirigeerd door John Pritchard klinken nog altijd fris en opwindend, net als de eerste platen, nu op cd (Prima donna assoluta en The art of the prima donna) met losse nummers, gedirigeerd door Nello Santi en Francesco Molinari-Pradelli.

Hommage

Wat is het ook nog steeds genieten van het helaas niet meer verkrijgbare album The age of bel canto, een hommage aan haar grote voorgangsters uit vroeger eeuwen. Sutherland zingt daarop naast een aantal wonderbaarlijk mooie soli (zoals Und ob die Wolke uit Der Freischutz) samen met Marilyn Horne ook een briljant en flitsend bravoure duet uit Rossini's Semiramide. Hoe fraai en fijnzinnig is niet dat trio, met Richard Conrad en Marilyn Horne uit Beatrice di Tenda. Wat klonk dat zelfde nummer jaren later, in 1981 als toegift bij een toenmalig 'Concert van de eeuw' (Sutherland, Horne en Pavarotti) in New York veel grover, met Pavarotti als boosdoener.

Het allermooiste is het natuurlijk om op een stille middag Sutherlands versie te draaien van Qui la voce sua soave uit Bellini's I Puritani. Het is voor mij het meest overtuigende voorbeeld van de effectiviteit van haar kunst: hoe zij met haar ongeevenaarde stem als een instrument en zonder extra toegevoegde expressie zich dienstbaar maakte aan het vertolken van de noten van de componist en daarmee van de dramatiek die daarin ligt besloten. In een onwaarschijnlijk kalm en vloeiend tempo realiseert zij hier de lange lijnen van zo'n prachtige tekst en geeft zij gestalte aan het zwelgen in het leed en het gelaten doodsverlangen van Elvira. Daarin zal Sutherland ongetwijfeld voor eeuwig onovertroffen blijven.

Na meer dan veertig jaar, 1750 voorstellingen en tientallen platen is Sutherland nu moe. Ze is 63, heeft last van arthritis en verlangt naar rust. Ze had geen zin meer om in december danspasjes te moeten maken op het toneel van Covent Garden en zegde dat laatste engagement voor de kerstopera Die Fledermaus af. Jammer is het natuurlijk wel, dat ze geen afscheid neemt op het podium waar ook haar roem begon. Bovendien is het de plaats waar Nellie Melba, de grootste Australische sopraan van de eerste eeuwhelft (voor wie de peche en de toast werden gecreeerd) in 1926 officieel afscheid nam van haar publiek.

Met bescheiden verwondering kijkt Joan Sutherland terug: 'Ik kan niet geloven dat ik dat allemaal ooit heb gezongen. Je bent eeuwig bezig met studeren, studeren, studeren en als je dan zo'n plaat jaren later nog eens hoort, vraag je je af: heb ik al die noten echt geleerd en heb ik die echt zo snel gezongen?' Maar ze heeft ook een zelfverzekerder manier om haar unieke rol in de operageschiedenis te bezien. Zo zei ze bij de opname van Handels Athalia tegen Christopher Hogwood en zijn op authentieke instrumenten musicerende Academy of Ancient Music, 'Well dears, I suppose I'm a historic instrument as well!'

Moffat Oxenbould: Joan Sutherland: a tribute. Uitg. Honeysett Publications, Leichhardt, Australie. 128 pag.

Alle plaatopnamen van Joan Sutherland verschenen bij Deca.

    • Kasper Jansen