Stofwolk neergehaalde DC-9 nog niet opgetrokken

'..', zei de Italiaanse piloot op het bandje in de zwarte doos, die zeven jaar 3,5 kilometer voor de kust van Sicilie had gelegen. 'Kij... ' Hij kon zijn zin niet afmaken. Door een explosie stortte de DC-9, met 81 inzittenden op weg van Bologna naar Palermo, in zee. Zo begon op 27 juni 1980 een ingewikkeld raadsel dat niet opgelost mocht worden, een raadsel met alle ingredienten voor een spannende thriller. Geheime diensten die met medewerking van de luchtmacht bewijsmateriaal laten verdwijnen en dwaalsporen leggen. Politici die hun generaals dekken. Slordige rechters die pas na jaren belangrijk bewijsmateriaal opvragen. Een mysterieuze vliegramp met een Libische MiG-23. En tot de verbeelding sprekende hypotheses over een gruwelijke vergissing van een NAVO-bondgenoot of een door de CIA georganiseerde mislukte vluchtpoging uit Libie. Het juridische onderzoek naar de ramp bij Ustica, een eilandje voor de kust van Sicilie, loopt tien jaar na dato nog steeds. Wegens wettelijke limieten moet rechter Rosario Priore zijn onderzoek voor het eind van dit jaar afronden. Hij is pas deze zomer begonnen omdat zijn voorganger het bijltje erbij neergooide en moet zich door een woud van vraagtekens heen worstelen. Zeker is dat het toestel door een explosie is neergestort. Zeer waarschijnlijk is deze explosie door een raket veroorzaakt. En zeker is ook dat van alles is gedaan om te voorkomen dat de waarheid aan het licht komt.

Rekenschap vragen

Vandaag is een speciale parlementaire onderzoekscommissie begonnen zich over de ramp te buigen. Voorzitter Libero Gualtieri, een senator voor de Republikeinse Partij, heeft vorige week een rapport gepubliceerd waarin van bijna iedere pagina de woede druipt over het optreden van de geheime diensten en de luchtmacht, en over de rechters en politici die bewust of onbewust hebben meegewerkt aan de pogingen alles in de doofpot te stoppen. 'Nu kunnen we beginnen rekenschap te vragen aan degenen (...) die zo lang het zoeken naar de waarheid hebben belemmerd', schreef Gualtieri in zijn conclusie. 'Laten we eindelijk een signaal geven dat Italie niet altijd en alleen maar het land van de onopgeloste mysteries is, van de bloedbaden waarvoor niemand verantwoordelijk is, van de onbestrafte misdaden.' Dat zal niet makkelijk zijn, want na tien jaar zijn veel sporen uitgewist. Sommige betrokkenen zijn overleden, anderen hebben last van geheugenverlies. En het zoeken naar de politiek-schuldigen wordt bemoeilijkt doordat de socialistische partij uit alle macht probeert te voorkomen dat haar toenmalige minister van defensie, Lelio Lagorio, hoofdverdachte wordt. In de weken na de ramp leek de waarheid onder handbereik. Minister van transport Rino Formica vertelde zijn collega Lagorio dat hij van generaal Saverio Rana, verantwoordelijk voor de veiligheid van de burgerluchtvaart en inmiddels overleden, een paar uur na de ramp had gehoord dat een niet-geidentificeerd toestel in de buurt van de DC-9 was gekomen en dat deze daarna was getroffen door een raket. Rana wist dit volgens Formica via contacten binnen de luchtmacht en op basis van radargegevens. Deze lezing van de gebeurtenissen werd een paar maanden later bevestigd door de Amerikaanse radardeskundige John Macidull, een van de grootste experts op dit gebied. Hij concludeerde op basis van Italiaanse radargegevens dat er anderhalve minuut voor de ramp een sneller toestel op het scherm was verschenen, dat eerst parallel vloog aan de DC-9, westelijk daarvan, en daarna rechtstreeks koers zette naar het passagiersvliegtuig. Direct daarna, na de explosie, zetten een of meer objecten snel koers naar het oosten.

Hypotheses

Op basis van deze informatie zijn twee hypotheses ontwikkeld. De eerste luidt dat een 'bevriend' toestel een enorme vergissing heeft gemaakt en een raket heeft afgevuurd op de DC-9. Dit zou zijn gebeurd bij een schietoefening op een onbemand doelwit of bij een poging een Libisch toestel neer te schieten waarin een hoge functionaris uit Tripoli zou zitten, mogelijk Gaddafi zelf.

Alle NAVO-landen met bases in de buurt (Frankrijk, Groot-Brittannie en de Verenigde Staten) hebben echter gezegd dat zij niets te maken hebben met de ramp. Een andere hypothese is dat het onbekende toestel een MiG-23 was van een uit Libie gedeserteerde piloot, die door twee andere Libische MiG's werd achtervolgd. Deze hypothese wordt versterkt doordat in de bergen van Zuid-Italie een Libische MiG is neergestort. Volgens de Italiaanse luchtmacht is dat gebeurd op 18 juli 1980, 21 dagen na de vliegramp, bij een verkeerd gelopen Libische trainingsvlucht. Maar de twee artsen die autopsie pleegden op het stoffelijk overschot van de piloot schreven op 23 juli dat het lijk 'zeker ouder dan vijf dagen' was. Dat werd in de officiele tekst 'zeker niet ouder dan vijf dagen'. Een aanvullende verklaring waarin zij schreven, met veel medische details, dat het lijk waarschijnlijk op zijn minst twee weken oud was, is op onverklaarbare wijze verdwenen.

Stofwolk

Ondanks de uitlatingen van Formica en de Amerikaanse radarexpert, ondanks het wrak van de MiG, kwamen de onderzoekers van de vliegramp bij Ustica in 1980 al snel in een grote stofwolk terecht. In een mysterieus telefoontje vertelde een man die zei namens een extreem-rechtse groep te spreken dat zijn organisatie achter de aanslag zat. Een 'verrader' uit de eigen gelederen zou het doelwit zijn geweest. De naam van die man, Mario Affatigato, dook ook op bij de valse sporen die de Italiaanse geheime dienst legde na de bomaanslag op het station van Bologna, die een maand na de ramp bij Ustica 85 mensenlevens eiste. Tegelijkertijd werd de eigenaar van het toestel, de kleine maatschappij Itavia, gebrekkig onderhoud verweten. Itavia verloor in die tijd miljoenen per jaar, wat de beschuldiging geloofwaardig maakte. De president van Itavia, Aldo Davanzali, kreeg in december 1980 een klacht wegens laster aan zijn broek omdat hij had gesuggereerd dat zijn toestel door een raket was neergehaald, iets wat de Amerikaanse deskundige een maand daarvoor had gezegd. Toen later de beschuldigingen over gebrekkig onderhoud waren ontzenuwd, was Itavia al failliet. Daarna heeft het onderzoek jarenlang vrijwel stilgelegen. De these van een bom deed weer opgang toen het leger berichtte dat T4, een explosief dat veel in bommen wordt gebruikt, was gevonden op wrakstukken van de DC-9. De radargegevens hielpen niet veel, want de luchtmacht hield stelselmatig informatie achter, loog de rechters voor of liet bewijsmateriaal 'overeenkomstig de bureaucratische regels' vernietigen.

Een rechter die de wrakstukken van de DC-9 van de zeebodem wilde laten halen kreeg in 1983 te horen dat dat te duur was. Toen president Cossiga drie jaar later sterk aandrong op het opvissen van de wrakstukken bleken de kosten bijna de helft lager en in juni 1987 begon de Franse firma Ifremer met de bergingswerkzaamheden. Hierna konden de deskundigen aan de slag. In maart 1989 kwamen zij met hun rapport: het was een raket. Het leger had de wrakstukken niet goed onderzocht, want er zat behalve T4 ook TNT op en dat is te gevaarlijk voor bommen en wordt alleen voor raketten gebruikt. De raket was bovendien van een geavanceerd type dat in 1980 niet door de Italiaanse luchtmacht werd gebruikt. Maar twee maanden later kwam een inderhaast ingestelde regeringscommissie, met daarin drie vertegenwoordigers van de strijdkrachten, tot de conclusie dat het geen raket was. En twee van de vijf leden van de eerstgenoemde commissie van deskundigen draaiden om, volgens hun collega's onder druk van het aan de luchtmacht gelieerde bedrijf Selenia. De parlementaire onderzoekscommissie spreekt zich in haar recente rapport niet uit over bom of raket. Dat is onze taak niet, aldus voorzitter Gualtieri. Maar in zijn gedetailleerde requisitoir haalt hij hard uit. De luchtmacht, de geheime diensten, sommige politici en rechters: niemand heeft de waarheid gewild. Als zoveel mensen hebben geprobeerd de ramp bij Ustica in de doofpot te stoppen, hoe schokkend moet de waarheid dan niet zijn?

    • Marc Leijendekker