Stedebouwers gaan Antwerpse haven rigoureus te lijf

Als het aan de Zwitser-Franse architect Le Corbusier had gelegen, waren in Antwerpen alle gebouwen in de strook tussen de Schelde en het stadhuis afgebroken om plaats te maken voor een park. Pal langs de rivier had hij in zijn stedebouwkundig plan voor Antwerpen uit 1932 een wandelterras boven een spoorbaan gedacht. Op het Eilandje, het negentiende-eeuwse havengebied ten noorden van het oude centrum, konden volgens Le Corbusier het beste sportvelden en een groot stadion worden aangelegd. En op de 'linkeroever', het gebied aan de overkant van de Schelde dat nooit goed tot ontwikkeling is gekomen, wilde hij naar bekend recept een 'ville radieuse' laten bouwen: lange, kaarsrechte boulevards met aan weerzijden enorme woonblokken, vergeleken waarmee de Bijlmerflats gemoedelijke kabouterhutjes zijn.

Gelukkig voor Antwerpen is Le Corbusiers rigoureuze plan een inzending voor een prijsvraag voor de toekomst van de Belgische havenstad nooit uitgevoerd. Maar de problemen waarmee Antwerpen blijkbaar al voor de oorlog kampte, waren met Le Corbusiers ontwerp niet opgelost. Integendeel, de havenactiviteiten hebben zich sindsdien verder verplaatst naar gebieden buiten de stad, waardoor sommige stadsdelen een onbestemd karakter hebbem gekregen. Het meest in het oog springt de drie kilometer lange strook langs de Schelde, de Kaaien, waar vroeger de schepen werden gelost. Nu zijn de Kaaien met de ongebruikte loodsen een hinderlijke strook tussen de stad en het water. Ook het Eilandje met de nauwelijks gebruikte dokken en het Zuid met het grote verkeersknooppunt en het oude spoorwegemplacement zijn gebieden die hun oude karakter hebben verloren en er geen nieuw voor hebben teruggekregen.

Overigens lijkt het tij voor het Zuid en de Kaaien sinds kort te zijn gekeerd. Wonen aan de Kaaien is populair geworden en steeds vaker moeten de oorspronkelijke bewoners plaatsmaken voor goedverdienende jongeren. Ook de huizenprijzen in het Zuid, waar twee jaar geleden het Museum voor Hedendaagse Kunst werd gevestigd, schieten omhoog. Maar Stad aan de Stroom, een initiatief van een groep Antwerpenaren uit de culturele sector, wil de toekomst van de drie gebieden niet overlaten aan de onzichtbare hand van de markt: het 'waterfront' van Antwerpen moet in navolging van havensteden als Londen en Barcelona groots en planmatig worden aangepakt.

Eind vorig jaar schreef Stad aan de Stroom daarom een internationale prijsvraag uit voor de drie gebieden en vroeg daarnaast zes gerenommeerde architecten een ontwerp te leveren. Die zijn nu te zien in Hangar 26/27, een loods op palen dat de bezoeker, begeleid door geheimzinnige elektronische muziek, via een blauw verlichte tunnel bereikt.

De meeste plannen in Hangar 26/27 bevatten alleen ideeen voor het waterfront die verder moeten worden uitgewerkt. Het duidelijkst is nog het plan van de Spaanse architecte Beth Gali, die ook een ontwerp voor de oevers in Barcelona maakte. Zij stelt voor om de vele loodsen op de kaaien af te breken en de zo onstane open ruimte van verticale elementen te voorzien.

Nog rigoureuzer is het plan van Yves Lion, waarin een recht kanaal voor grote schepen de Scheldebocht afsnijdt. De linkeroever kan dan door bruggen met het centrum worden verbonden en alsnog tot een soort 'ville radieuse' uitgroeien. De Belgische architect Bob van Reeth ontwerpt eveneens twee hoge bruggen die alleen voor de zelden passerende zeereuzen geopend hoeven te worden.

Niet alleen het onafgeronde karakter van de meeste plannen maakt het moeilijk om vast te stellen of ze heilzaam zullen zijn voor Antwerpen of juist leiden tot Corbusiaanse nachtmerries, ook de presentatie speelt hierbij een rol. Veel tekeningen lijken op abstracte composities waarvan nauwelijks is vast te stellen wat ze in werkelijkheid zouden betekenen voor Antwerpen.

Vooral het spectaculair ogende plan van de Japanse architect Toyo Ito voor het gedempte Zuiderdok, dat nu dienst doet als parkeerplaats voor vrachtwagens, is bedriegelijk. Ito stelt voor om het dok weer uit te graven en op twee niveaus te gebruiken. Onder de grond moeten bioscopen, theaters en andere gebouwen komen, daarboven een park met gras, bloemen en boompartijen. De maquette is prachtig, maar in werkelijkheid gaat het om een strook grond die te smal is om er een echt aantrekkelijk park van te maken en zo halfdoorzichtig als de maquette zal het terrein nooit zijn. Bij dergelijke ondergrondse complexen komen mij bovendien barre oorden voor de geest als het Utrechtse Hoog Catharijne met dreinende, onontkoombare muziek uit de eindeloze, deprimerende plafonds.

Ik kan me de huiver van de Antwerpense burgemeester Cools tegenover de 'waterfrontplannen' daarom goed voorstellen. Cools begint zijn voorwoord van het bij de tentoonstelling behorende boek Antwerpen ontwerpen met een citaat van Prince Charles, de kruisridder tegen de moderne architectuur: 'Sometime during this century something went wrong.' 'Wij moeten voorzichtig zijn, ' schrijft de burgemeester, 'alvorens het imago van Antwerpen te veranderen.' Hij kan er zelf veel aan doen, want wat de verdere voortgang van de plannen betreft is het woord nu aan het stadbestuur. Als het aan de jury ligt, mogen Manuel Sola-Morales, Toyo Ito en de Nederlandse bureaus Van Berkel en Bos en Van Veen en Van der Meer hun plannen verder uitwerken. In november neemt het Antwerpense stadsbestuur een besluit over deze aanbeveling.

Tentoonstelling: Stad aan de Stroom: stedebouwkundige ontwerpen voor Antwerpen. In Hangar 26/27, Rijnkaai, Antwerpen, tot 31 okt., dag. 10-18 uur beh. ma.

    • Bernard Hulsman