Regionalisering van de wereld

Het einde van de Koude Oorlog, nog maar onlangs geproclameerd, is inmiddels uitgemond in plannen tot samenwerking tussen de supermachten.

Daarmee zijn over heel de wereld de internationale verhoudingen in beweging geraakt. Het is niet langer aantrekkelijk onderdak te zoeken bij een van de grote mogendheden.

Bondgenootschappelijke loyaliteit, zoals die in de NAVO, verliest aan functie en zin. De satellieten van de Sowjet-Unie maken zich los uit hun kringloop rondom Moskou en gaan een eigen baan beschrijven, vooralsnog grillig en onvoorspelbaar.

Ook buiten Europa zijn de gevolgen van de dooi merkbaar. De grote twee, niet langer in een concurrentieslag verwikkeld, verliezen hun interesse voor wat zich overzee afspeelt en trekken zich terug uit posities die hoge kosten met zich meebrengen. Anderzijds beginnen vele landen, bij voorbeeld in Afrika, zich af te vragen waarom ze eigenlijk zo druk doende zijn geweest met Sovjet-vriendelijke, (quasi-)socialistische experimenten.

Voorts is de kans op chantage sterk verminderd. Irak is het eerste land dat aan den lijve ondervindt dat ruzie met de ene supermacht niet meer leidt tot steun van de andere.

Sommige politieke waarnemers zijn van mening dat de wereld als gevolg van dit alles op weg is naar grotere eenheid en eensgezindheid. Zij spreken de verwachting uit dat de VN, na veertig jaar lang hopeloos verdeeld te zijn geweest, eindelijk gaat functioneren overeenkomstig de trotse naam die de organisatie draagt: als 'verenigde naties'.

Zo eenvoudig is het helaas niet. In ieder geval blijven de supermachten als vanouds bijzonder attent op alles wat zich in hun voor- of achtertuin afspeelt. De Sovjets mogen op het ogenblik enigszins zijn afgeleid door interne perikelen, de Verenigde Staten hebben hun waakzaamheid ten aanzien van de ontwikkelingen in Midden- en Zuid-Amerika zeker niet verloren. De interventie in Panama gebeurde op het hoogtepunt van de ontspanning tussen Oost en West. Cuba en Nicaragua blijven op de agenda.

Belangwekkender is een ander gevolg van de internationale dooi: de profilering van nieuwe regionale machten. De handelingsruimte die is ontstaan, resulteert niet in vrijheid-blijheid voor iedereen maar in een herschikking van landen rondom bestaande of nieuwe zwaargewichten.

Europa biedt het beste voorbeeld, niet in de laatste plaats omdat de Oost-West-rivaliteit heel het werelddeel uiteengerukt had. De eerstbegunstigde van de nieuwe Europese orde is daarom Duitsland dat door de tweedeling het meest rechtstreeks was getroffen.

Zowel de economische potentie als de geografische ligging bieden het verenigd Duitsland de gelegenheid uit te groeien tot de centrale macht in het toekomstige Europa. Terwijl de relaties met West-Europa stevig zijn gevestigd, kunnen de oude connecties met Oost- en Zuidoost-Europa weer worden opgenomen, ondersteund door een stroom van D-marken.

Een heel ander voorbeeld is Zuid-Afrika. De politieke dooi heeft het traditionele anti-communisme van het regime tot een achterhaalde verdienste gemaakt en het land op weg gestuurd naar een nieuw bestel. Slaagt Zuid-Afrika erin voldoende internationale goodwill te verwerven, dan zal het zich ook als regionale macht sterker gaan ontplooien.

Als de sterkste politieke en economische macht in het zwarte werelddeel, kan het fungeren als lokomotief van in ieder geval zuidelijk Afrika. Een paradoxale ontwikkeling: juist door de komst van een post-apartheidsregime worden de frontlijnstaten, niet langer internationaal ondersteund, meer dan voorheen afhankelijk van de grotere broer in het zuiden.

Overig Afrika is trouwens zo zwak en verdeeld dat ook andere regionale machten kunnen proberen hun slag te slaan. Een jaar of wat geleden deed Libie een poging, maar het slaagde er niet in naar het zuiden door te breken, met name doordat het gealarmeerde Frankrijk de voormalige kolonien te hulp kwam.

Meer kansen heeft Nigerie, demografisch een reus, en met de ambitie om een leidende rol te spelen. Het bleek nog onlangs toen het land het initiatief nam in de Liberiaanse burgeroorlog te intervenieren.

Dergelijke interventie is een teken aan de wand. Men denke aan de bemoeienis van India in de burgeroorlog op Sri Lanka. Inderdaad kan India momenteel gelden als de grootste macht in Zuid-Azie, politiek, militair en economisch. Met die macht zullen ook de ambities groeien.

Het Midden-Oosten is een verhaal apart. Na Iran streeft nu Irak naar hegemonie in de regio maar ook thans weer staan dermate grote belangen op het spel dat de supermachten er niet onverschillig onder kunnen blijven.

Khomeiny trachtte de islamitische wereld te mobiliseren en werd daardoor een gevaar dat ver uitging boven de macht van de staat die hij tot zijn werktuig had gemaakt. Saddam Hussein heeft met zijn bezetting van Koeweit een belangrijk deel van de olierijkdom in het Midden-Oosten bemachtigd. Zijn expansie gaat daarom de regionale belangen te boven; zij alarmeert heel de wereld.

Wat ten slotte het Verre Oosten betreft, is een vergelijking tussen China en Japan interessant. De pogingen van China om met behulp van de communistische ideologie in het gebied invloed te verkrijgen, zijn definitief mislukt. Het verzet in Tibet duurt voort; de overgebleven bondgenoten, de Rode Khmer in Cambodja alsook Noord-Korea beginnen te wankelen. Daarentegen is Japan erin geslaagd met economische middelen te realiseren wat het land een halve eeuw eerder met militaire expansie beoogde te bewerkstelligen: de schepping van een 'Groot-Oostaziatische Welvaartssfeer'.

Zo is er wel meer te melden, maar het patroon als geheel is duidelijk genoeg. Het einde van de Koude Oorlog heeft de wereld niet homogener gemaakt maar heterogener, niet stabieler maar instabieler. De bipolaire machtsbalans maakt plaats voor een polycentrische mondiale orde.

Het is een spontaan verlopend proces waaraan bij gebrek aan een wereld-autoriteit weinig valt te sturen. Alleen indien regionale ontwikkelingen een mondiaal effect krijgen Irak! komen de grote mogendheden in actie, thans niet als rivalen maar als bondgenoten. Dat is in ieder geval pure winst.

    • J. A. A. van Doorn