'Open Universiteit heeft verkeerd imago'

ROTTERDAM, 27 sept. De studiegids belooft dat eind 1992 de eerste studenten aan de Open Universiteit hun bul kunnen halen. 'Daar kunnen we dus niet meer onderuit', zegt voorzitter B. de Haan van het college van bestuur.

Maar het zal voor de Open Universiteit nog een hele klus worden om die belofte waar te maken. In een zelfstudie, verricht ten behoeve van een externe evaluatie van de Open Universiteit, is het college van bestuur daar heel openhartig over. Bij economie en rechten, de twee leerstofgebieden waarvoor de onderwijsprogramma's half 1992 compleet moeten zijn, voelen de docenten en onderwijsdeskundigen de hete adem van de snelle studenten in hun nek: een relatief groot aantal cursussen is nog niet klaar.

Toch is de Open Universiteit al enkele jaren uit de gevarenzone. De grote organisatorische en bestuurlijke problemen uit de beginjaren zijn opgelost. De cursusproduktie ligt redelijk op schema en studenten hoeven niet meer op een wachtlijst te worden geplaatst. Maar helemaal probleemloos gaat het er in Heerlen nog niet aan toe. De Haan, de derde voorzitter van het college van bestuur sinds de officiele oprichting in 1984, beseft dat: 'Wij zijn onderweg, maar we staan nog steeds voor een belangrijk deel in de steigers.'

De Haan zette vorige week de externe deskundigen aan het werk die de komende maanden de Open Universiteit gaan doorlichten. De zelfstudie dient daarbij als basismateriaal. Het is de eerste keer in het hoger onderwijs dat een visitatiecommissie van een instelling als geheel nagaat of zij haar wettelijke opdrachten wel naar behoren uitvoert. De primeur is een beetje uit de nood geboren. De Open Universiteit wilde niet achterblijven in de ontwikkeling van het stelsel van kwaliteitsbewaking dat binnen het hoger onderwijs geleidelijk aan van de grond komt. De universiteiten en hogescholen laten daarbij commissies van externe deskundigen studierichtingen over de grenzen van de instellingen heen doorlichten. Bij de Open Universiteit kan dat op die manier pas eind jaren negentig, als de zeven leerstofgebieden enkele jaren 'draaien' en er dus ook op grond van de afgestudeerden een oordeel over de kwaliteit van de opleiding kan worden gegeven.

Bijna tien jaar geleden begon de opbouw van de Open Universiteit. Deze zou een alternatief moeten gaan bieden aan volwassenen die voor hoger onderwijs niet aan een gewone hogeschool of universiteit terecht kunnen of willen. Bovendien had de politiek voor de Open Universiteit een belangrijke rol bedacht in het wederkerend onderwijs, al beseften deskundigen en politici in de jaren zeventig nog niet welke vlucht die her- en bijscholing juist van hoger opgeleiden , zou gaan nemen. Een derde belangrijke doelstelling van de Open Universiteit is vernieuwing van het hoger onderwijs, iets waarvan hogescholen en universiteiten overigens in toenemende mate profijt trekken.

Tot dusver heeft de Open Universiteit al bijna zesduizend cursussen aan meer dan dertig universiteiten en hogescholen 'verkocht'. Daarnaast namen bedrijven, sinds de verkoop in 1988 begon, ook nog eens zo'n tweeduizend cursussen af. De inkomsten uit dit 'contractonderwijs' heeft de Open Universiteit hard nodig. Dat zij daarover en over de gewone cursusgelden 'vrij' mag beschikken dient dan als compensatie voor de, met de minister afgesproken, bezuiniging op de basissubsidie met zeven miljoen gulden per jaar.

In 1990 blijkt de ontwikkeling van de Open Universiteit wat anders te zijn gegaan dan de deskundigen en politici een decennium geleden voor ogen stond. Het aantal studenten is een veelvoud van wat toen werd gehoopt: dit jaar wordt een inschrijving van vijftigduizend studenten verwacht (twintigduizend werd tien jaar geleden nog als een heel optimistische prognose gezien). Haar taak als een instelling die zich er op toelegt volwassenen die niet eerder kans hadden om hoger onderwijs te volgen daar alsnog gelegenheid voor te bieden, dreigt in het gedrang te komen nu steeds meer studenten voor bij- en nascholing naar de Open Universiteit komen. De samenstelling van de studentenbevolking illustreert dat: bijna vijftig procent van de eerstejaars in 1989 heeft al een opleiding aan universiteit of hogeschool gevolgd. Dat is tien procent meer dan vijf jaar geleden.

Toch stijgt het aantal studenten voor wie de Open Universiteit wel die tweede kans biedt op hoger onderwijs (al neemt hun aandeel dus relatief af). Daarbij is opvallend de langzame maar gestage groei van het aantal eerstejaarsstudenten dat als vooropleiding alleen lager onderwijs of lager beroepsonderwijs (in 1989 samen zo'n 350) heeft. Het aantal eerstejaars met alleen een mavo-opleiding blijft gelijk (ongeveer 1.400). Als eerstejaarsstudenten wordt gevraagd naar hun twee belangrijkste studiemotieven scoren de 'kans op een nieuwe baan' en de 'ontwikkeling van de intellectuele capaciteiten' het hoogst.

De verschuiving in de doelstelling van de Open Universiteit blijkt ook uit het soort opleidingen dat de studenten volgen. Op basis van hun eigen opgaven zegt nog geen veertig procent voor een diploma in het wetenschappelijk onderwijs (wo) en maar twee procent voor een diploma in het hoger beroeps onderwijs (hbo) te studeren. Dertig procent wil een zogeheten 'kort hogere opleiding' volgen een mogelijkheid die de Open Universiteit sinds 1988 biedt. Zo'n vijftien procent van de studenten wil maar een of meer cursussen volgen.

'Eigenlijk zitten we met een verkeerd imago', zegt De Haan. 'Nog te veel overheerst het beeld van een universiteit die opleidt voor een wo- of hbo-diploma, terwijl de feitelijke onderwijsvraag van de studenten laat zien dat de laatste jaren de behoefte aan wederkerend onderwijs sterk is toegenomen.' Dat verklaart de lage deelnamecijfers aan tentamens en de relatief geringe vraag naar studiebegeleiding. Steeds meer studenten in 1989 meer dan de helft zeggen juist voor de Open Universiteit te kiezen omdat ze daar in een eigen tempo thuis kunnen studeren.