Onze rechtshandhaving blijft een spelling achter

'Nieuwbouw wordt door Justitie zodanig ingericht dat de rechtszoekende onverbiddelijk in een slecht humeur raakt'. Zo typeerde de Amsterdamse advocaat Pen vorig jaar, deze tijd, snedig de moderne 'rechtsfabrieken' die her en der uit de grond worden gestampt. Dat geeft al meteen te denken over het accent op de 'bedrijfsvoering' in het beleidsplan Recht in Beweging, dat vandaag officieel is gepresenteerd door minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Kosto. De observatie van de advocaat gaat het bouwprogramma van Justitie te boven. Het beleidsplan zelf signaleert ook meer in het algemeen 'een tweeslachtige houding ten aanzien van het recht'.

Geen wonder: de burger realiseert zich steeds meer dat het recht hem niet alleen allerlei aanspraken geeft, maar hem ook in verregaande mate blootstelt aan overheidscontrole. 'Recht is vriend en vijand tegelijk', zoals professor Van Maarseveen het in 1987 uitdrukte in een lezing voor de Vereniging voor Rechtspraak. Daarin gewaagde hij van een 'zorgeloze rechtsorde'. Het beleidsplan stelt daar thans een integrale aanpak tegenover voor wat weids wordt betiteld als 'de rechtsverzorging'. Dit is de uitwerking van het al even weidse begrip 'democratische en sociale rechtsstaat', zoals aangekondigd in de regeringsverklaring van het kabinet-Lubbers III.

Regelvervuiling

De terminologie past naadloos in het gedachtengoed van de hedendaagse verzorgingsstaat. Maar zij versluiert wel de fundamentele tegenstelling tussen het vriendelijke en het vijandelijke gezicht van het recht. Het probleem is namelijk dat de verzorgingsstaat in belangrijke mate verantwoordelijk is voor een enorme regelvervuiling, een stortvloed van ge- en verboden elk met hun eigen controle-mechanisme en met hun eigen ongehoorzaamheidsquote. De tweeslachtigheid zit in het systeem gebakken. Dat willen de bewindslieden op Justitie ook wel erkennen. Zij breken een lans voor betere (vooral beter te handhaven) regelgeving. Maar ze laten er geen misverstand over bestaan waar hun prioriteit ligt: het dient afgelopen te zijn met het eigentijdse motto 'moet kunnen'.

Dit laatste is natuurlijk een toespeling op de hoofdstedelijke, verlate variant van de law-and-order-revival waarmee de Partij van de Arbeid in Amsterdam de electorale tegenwind hoopt te keren. De partij die nog niet zo lang geleden pleitte voor 'staatsheroine' (zoals de vorige minister van justitie sneerde over een PvdA-plan voor heroineverstrekking) sommeert de rechterlijke macht nu min of meer de junks achter slot en grendel te zetten. Zo karikaturaal maken Hirsch Ballin en Kosto het bepaald niet. Maar de strafrechtelijke handhavingsquote moet wel omhoog, de slinger moet verder doorslaan. Bij alle waardering voor het gegroeide accent op persoonlijke autonomie, betitelen zij die toch als 'in belangrijke mate negatief, dat wil zeggen als grond voor het afweren van de bemoeienis van de overheid en bepaalde maatschappelijke verbanden'.

Motto

Echter een vuiltje: het afweren van overheidsbemoeienis 'overheid op afstand', zoals dat zo mooi werd genoemd onder Lubbers II is ook het motto van de klassieke vrijheidsrechten van de burger: het openingshoofdstuk van de nieuwe Grondwet van 1983. Dit klinkt ernstiger dan het behoort te zijn, maar dat is helaas de teneur van het weidse beleidsplan. De discussie over recht en orde is de politieke tegenstelling links-rechts gepasseerd, zoals de Amsterdamse burgemeester Van Thijn jaren geleden trouwens al verkondigde, maar dreigt nu te belanden op het eindstation van een gemeenschappelijk dwangdenken.

Wat voornamelijk opvalt aan de vorm die de gedachte van een democratische en sociale rechtsstaat nu wordt toebedeeld, is een gebrek aan zelfbewustheid van het recht. Recht dan wel met een hoofdletter. De vorige minister van justitie Korthals Altes legde een speciaal accent op de georganiseerde misdaad als legitimatie voor een aantal paardemiddelen van dubieus rechtsgehalte, ook al kon hij het gevaar niet echt hard maken. In een zojuist verschenen rapport bekennen justitiele onderzoekers dat hoe meer zij zich verdiepten in de georganiseerde criminaliteit, des te minder zij begrepen wat dit eigenlijk is of zou kunnen zijn.

Hirsch Ballin houdt het nu voorzichtig op 'groepscriminaliteit', maar zet de omstreden aanpak van zijn voorganger klakkeloos door. Terwijl onze strafrechtspleging zelf steeds meer in de ban lijkt van het motto 'moet kunnen', zeker als het om drugs gaat, borduurt het beleidsplan lustig door op normatief uitgesproken zwakke thema's als 'pluk ze' en 'lik op stuk'.

Het tekort aan gevangeniscapaciteit een ander stokpaardje van Korthals Altes is naar de tegenwoordige stand goeddeels opgeheven, stellen Hirsch Ballin en Kosto vast. Toch zetten zij de uitbreiding van het gevangeniswezen voort, ondanks de gevaarlijke zuigkracht die daarvan uitgaat of klimmende twijfels over de kwaliteit van de bejegening die zich toch vanouds heeft bewezen als kenmerk van een verstandige strafrechtspleging in dit land.

De maatschappelijke netwerken die nu naar voren worden geschoven als buffer in het conflict van recht als vriend en recht als vijand heetten onder het vorige kabinet nog gewoon 'sociale controle'. Geen kwaad woord over wat meer sociale cohesie, behalve de observatie in het blad Bestuurswetenschappen vorig jaar, dat ook 'het maatschappelijk middenveld scheidsrechters nodig heeft'. De klassieke vraag 'wie bewaakt de bewakers ?' geldt ook voor de stadswachters, pleinbeheerders, parkwachters en andere ongrijpbare controle-modaliteiten die nog eens worden gepousseerd door Hirsch Ballin en Kosto.

Zo gemakkelijk komt Justitie echter niet af van wat de Utrechtse hoogleraar strafrecht Kelk in een recente bundel aanduidt als 'de hoogst cynische vraag in hoeverre betrokkenen niet soms beter uit zijn met een (kort) verblijf in de gevangenis met alle waarborgen van dien, dan met maatschappelijke maatregelen die per saldo van blijvender en fnuikender aard zullen zijn'.

Zeker op dit zo belangrijk geachte punt van de sociale controle bevestigt het beleidsplan Recht in beweging het beeld van een rechtshandhaving die in de woorden van een justitieel onderzoeker enkele jaren geleden 'steeds een spelling achterblijft'.

    • F. Kuitenbrouwer
    • Commentator van Nrc Handelsblad