Eer was niet in geding

Het CDA heeft zich in zijn eigen moralistische netten verstrikt. De hele natie heeft de afgelopen week de uitspraken kunnen horen en de strakke koppen kunnen zien waarmee vooraanstaande CDA-ers uiting geven aan hun gevoelens over het feit dat de PvdA, hun coalitiegenoot, hun minister van landbouw en visserij had laten vallen. De morele verontwaardiging droop eraf.

Was daar reden voor? Alleen voor iemand die de gebeurtenissen bezag door een gekleurde bril. Gebleken was, dat de controle op de visvangst nog steeds gebrekkig was. De fractie van de PvdA in de Tweede Kamer was tot de conclusie gekomen dat zij de minister, die tien jaar lang voor die controle verantwoordelijkheid had gedragen, die enkele jaren geleden het falen daarvan had moeten erkennen en nu moest toegeven dat falen niet te hebben kunnen opheffen, niet langer haar vertrouwen kon geven. Daarmee had de minister niet langer het vertrouwen van een kamermeerderheid (ook VVD, D66 en Groen Links steunden hem niet). Volgens de spelregels van onze parlementaire democratie had de minister toen de keuze om nog een laatste poging te doen het verloren vertrouwen te herwinnen of onmiddellijk af te treden. Hij verkoos het laatste 'om de eer aan zich te houden'. Alsof die eer op het spel stond!

Anders dan bijvoorbeeld het presidentschap in de Verenigde Staten is het ministerschap in ons land niet aan een termijn onderworpen. Dat betekent echter niet, dat de aan een dergelijke termijn ten grondslag liggende gedachte hier in het geheel niet zou gelden of dat nieuwe bezems in ons land niet schoner zouden vegen dan oude. Een falend beleid of een gebrekkige greep op een departement wordt een minister niet minder zwaar aangerekend, omdat hij er tien jaar trouwe dienst aan het vaderland op heeft zitten. Zoiets zou op die manier een rol kunnen spelen als het een kwestie van persoonlijke morele verantwoordelijkheid betrof. In het geval-Braks hebben wij echter te maken met politieke ministeriele verantwoordelijkheid. Daarbij gaat het niet om persoonlijke verdiensten, maar om de vraag of iemand in een politieke functie nog langer het politieke vertrouwen kan worden gegeven.

Wanneer een minister er na tien jaar voor de tweede maal met een tussenpoos van enkele jaren niet in blijkt te zijn geslaagd de controle op de visvangst voor elkaar te krijgen, dan moet men er niet verbaasd over zijn dat zijn vervanging op zijn plaats wordt geacht. De politiek zou anders ook tegenover de ambtenaren ongeloofwaardig worden.

Noch de eer, noch de betrouwbaarheid of enige andere persoonlijke morele hoedanigheid of verdienste van Braks was bij zijn vertrek aan de orde. Braks en het CDA hoeven zich dan ook voor niets te schamen behalve voor hun collectieve onvermogen een kwestie van politieke verantwoordelijkheid van 'hun' minister (of was het de onze?) op een zakelijk politieke manier te verwerken.