Alle reden voor een handreiking

Deze week trad de DDR uit het Warschaupact, een bericht voor de binnenpagina. Zonder dat er een schot is gelost, is deze militaire machine ontregeld geraakt. De demontage en het verslepen van de onderdelen wordt nog een kostbare affaire. De Bondsrepubliek alleen steekt vijftien miljard mark in de demobilisatie van de falanx van het pact, de tegen de 400.000 Sovjet-soldaten die iets meer dan een jaar geleden nog in staat werden geacht het gebied tussen Elbe en Kanaal per verrassing bij het arbeidersparadijs in te lijven. Het Pentagon mag om hem moverende redenen blijven waarschuwen voor het Sovjet-gevaar, de consensus in het Westen is een andere. De troepen in West-Europa kunnen naar huis of krijgen garnizoensdienst. De demilitarisering van het Oosten van Duitsland en de oplossing van het Warschaupact hebben immers de frontlijn uitgevlakt.

Zo ontstaat in Europa als vanzelf een nieuwe en losse veiligheidsstructuur. De staten in het Oosten zijn niet langer onderworpen aan het Sovjet-commando, sterker, zij hebben en nemen de vrijheid te opteren voor samenwerking met de landen in West-Europa. De laatste hechten aan het behoud en zelfs de versterking van de Atlantische banden zoals blijkt uit de overeengekomen geregelde consultaties tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten maar tezelfdertijd moeten er in Oostelijke richting initiatieven kunnen worden ontwikkeld. Viel er eerder dit jaar ten opzichte van mogelijke financiele tegemoetkoming aan de Sovjet-Unie een nuance waar te nemen tussen de benadering van Europa en die van Amerika Washington vroeg om een studie na het uitbreken van de Golfcrisis en Moskous solidariteit in deze kwestie is de Amerikaanse terughoudendheid nagenoeg verdwenen.

De Europese en de Atlantische verhoudingen worden niet langer overwegend bepaald door een militaire interpretatie van het begrip veiligheid. Het dichten van de kloof die Europa sinds het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog heeft gespleten 1917, 1933, 1939 en 1945 waren beslissende jaren is nu het belangrijkste karwei dat moet worden geklaard. De werkzaamheden zullen zich moeten uitstrekken tot het politieke, sociale, economische en culturele terrein. De al geldende voorwaarde van de verzekering van de mensenrechten in iedere staat die van het nieuwe Europa deel wil uitmaken, wordt verbonden met de voorwaarde dat er wordt gebouwd aan een rechtsstaat, verzekerd door onafhankelijke rechtspraak, parlementaire democratie en vrijheid van meningsuiting.

De Westeuropese bijdrage is terecht praktisch. De problemen in Oost-Europa zijn te groot dan dat regering en samenleving daar in een handomdraai aan voorwaarden van welke aard dan ook kunnen voldoen. Vandaar dat het zinloos is regering en maatschappij nu al aan een ideologische zuiverheidsproef te onderwerpen. De gedachtengang verloopt ongeveer als volgt: democratie zal pas een echte kans maken als er zicht komt op een begin van welvaart, die welvaart moet worden bereikt door aan het parasitaire bestaan van de staat ten koste van de samenleving, resultaat van het reele socialisme, een eind te maken. De invoering dan wel het herstel van de markt is daartoe toegeeigende instrument. Zolang de landen van Oost-Europa zich in die richting bewegen, is er alle reden voor een handreiking.

De val van de Muur heeft gevolgen voor heel Europa. Dat betekent dat West-Europa niet kan handelen en ook niet handelt alsof de nieuwe dynamiek een tot het oostelijk deel van het continent beperkt fenomeen is, alsof de eigen positie is afgeschermd. De Westeuropese samenwerking had twee drijfveren: de verzoening van oude vijandschap, in het bijzonder tussen Frankrijk en Duitsland, en afweer van de, nieuwe, bedreiging uit het Oosten. Beide drijfveren zijn uitgewerkt. Daarvoor is een nieuwe in de plaats gekomen: uitgaande van de economische kracht die Europa ontwikkelt, streven naar een politieke rol in de wereld die daarmee in overeenstemming is. De opening naar het Oosten is daarbij zowel een stimulans als een hinderpaal.

Voor afzienbare tijd zullen in Oost-Europa de kosten voor de baat gaan. Energie die anders uitsluitend op de verdere integratie van West-Europa had kunnen worden gericht, moet nu mede worden aangewend voor de ontwikkeling van Oost-Europa. Institutioneel blijven de gevolgen niet uit. Het verenigde Duitsland bevindt zich in geheel andere omstandigheden dan de Bondsrepubliek tot dusver. De term klein-Europa komt weer in gedachten; in de begintijd van de Gemeenschap van zes lidstaten had die term een veelbelovende klank, in de actualiteit verwijst hij naar onaanvaardbare benauwenis. Hoezeer de regering in Bonn ook hecht aan haar Westelijke anker, het vergezicht dat zich in het Oosten uitstrekt, doet haar aan dat anker rukken.

Zoals sombere geesten voorspelden, ontpopt de Duitse monetaire unie zich als een rem op, zo niet een blokkade van de Europese monetaire unie. De noodzakelijke financiele injecties in de Oostduitse samenleving zijn van een omvang die de gedachte aan een nog wijdere monetaire spreidstand in Bonn nagenoeg ontoelaatbaar maakt. De president van de Bundesbank wil zich niet twee keer achtereenvolgens laten forceren tot iets dat ver afstaatvan wat hij als gezonde Duitse monetaire discipline ervaart. Duits verlangen de Duitse rijkdom voorlopig slechts met Duitsers te delen, evenaart Brits verlangen de handen vrij te houden om de eigen misere zo nodig op anderen af te wentelen. Doordat de rest van Europa zo dicht mogelijk tegen de mark aanschurkt, ontstaat er toch zoiets als een monetaire eenheid, maar daartoe moeten offers worden gebracht. De spankracht van die ontwikkeling is zonder beleidsmatige compensatie onzeker.

Van dezelfde orde is de vraag die kan worden gesteld over de kansen van de politieke unie. In het raam van de Europese Gemeenschap, of nauwkeuriger de Europese Politieke Samenwerking, is de afstemming van politiek nooit een sinecure geweest. In de nieuwe omstandigheden dient daarenboven te worden nagegaan wat een Westeuropese federatie-in-wording betekent voor de betrekkingen tussen die bondsstaat en de rest van het continent en zijn periferie. Daarbij wordt meestal uitsluitend aan Duitsland gedacht. Maar er is een Italiaans initiatief om tot nauwere coordinatie te komen met landen in Zuidoost-Europa en er is een Spaans-Italiaans initiatief, met Franse instemming, om tot een mediterrane samenwerking te komen die ver uitgaat boven het milieubeheer van het inpandige zeegebied. Hoe moeten dergelijke initiatieven worden ingepast in de eenheid van de Twaalf?

Het vraagstuk is er een van grenzen. Samengaan heeft plaats door middel van uitsluiting. De gouden GATT-regel dat economische integratie niet mag leiden tot verlegging van handelsstromen wordt gestaafd door vroomheid, niet door de ervaring. Zo heeft ook politieke integratie gevolgen voor relaties met derden. Doen alsof de Twaalf dezelfde buitenwereld hebben en die buitenwereld op min of meer dezelfde wijze tegemoet kunnen treden, stemt niet meer overeen met de werkelijkheid.

    • J.H. Sampiemon