Ongewenste dubbelrol van de Berlijnse Volksbuhne

BERLIJN, 25 sept. Het leek zo'n voor de hand liggende gedachte: nu Berlijn weer een stad wordt, kunnen de traditierijke Volksbuhne en zijn in 1963 na de bouw van de muur opgerichte Westberlijnse pendant, de Freie Volksbuhne, weer tot een toneelgezelschap worden verenigd. Maar nu de Westberlijnse senator voor cultuur Anke Martiny die eveneens te maken heeft met twee operagezelschappen en twee volksuniversiteiten dit heeft voorgesteld in een discussienota, reageren beide theaters met afschuw.

'Men wil alleen nog maar over de kosten van de vereniging spreken, niet meer over de inhoud', meent de intendant van de Westberlijnse Freie Volksbuhne. Hij stelt twee premieres voor, beide gewijd aan de problematiek rond de DDR en geregisseerd door Oostduitse regisseurs. B. K. Tragelehn, die Heiner Mullers Germania Tod in Deutschland zal regisseren, vertolkt op een persconferentie over Martiny's plannen de opvatting dat het Duitse theater de spanning tussen Oost en West juist nodig heeft bij het streven de ondergang van de DDR te verwerken 'als een poging een beter Duitsland tot stand te brengen'.

Aan de Volksbuhne aan de oostkant van de stad is de afkeer van een fusie niet minder groot. 'Wij willen niet weer van bovenaf opgelegd krijgen wat we moeten doen', meent Wally Schmidt. Zij vertegenwoordigt het acteurscollectief, dat de dagelijkse leiding heeft, sinds de laatste intendant na de Wende vorig jaar werd heengezonden. 'Wij eisen het recht op een beetje tijd ons te bewijzen', meent Schmitt. Een eerste aanzet ziet de Volksbuhne in de premiere, afgelopen weekeinde, van Friedrich Schillers Die Rauber.

Zo'n publiek zou elk Westduits theater zich wensen: geen enkele actuele verwijzing in de onder regisseur Frank Castorf geheel bewerkte tekst van Schiller ontgaat de meerendeels Oostberlijnse toeschouwers.

En als de acteurs zich in kritische zin tot het publiek wenden ('Veertig jaar op je kont gezeten, en nu plotseling allemaal Opel-Kadett willen rijden?'), spreekt de zaal ongedwongen terug, ook met kritiek ten aanzien van het gebodene. 'Minder Muller, terug naar Schiller', merkt iemand op, verwijzend naar de paus van het Oostduitse avantgarde-theater. Maar daarin wordt hij teleurgesteld: even later komen de rovers op in het uniform van de Oostduitse Volkspolizei.

Stormachtige bijval in de zaal, en woede bij de rechtse pers. De Frankfurter Allgemeine Zeitung ziet in deze 'plundering van Schillers tekst' een laatste stuiptrekking van het DDR-theater. De Bildzeitung meldt ten onrechte dat op het toneel een levende muis wordt vermoord. Zo hoort theater te zijn, vinden de acteurs van de Volksbuhne: provocatief en actueel. Maar verder is de stemming onder hen gedrukt: op 1 november zal het geld in het traditierijke theater, waar Erwin Piscator en Max Reinhardt nog hebben gewerkt, geheel op zijn. Het Oostduitse gemeentebestuur, in staat van ontbinding, heeft geen geld. Rest het Westberlijnse gemeentebestuur, met zijn sinistere plannen.

Preocupatie

West- en Oostberlijnse intellectuelen en kunstenaars zijn dezer dagen over het algemeen weinig geestdriftig over het straffe tempo van de Duitse eenheid. Twee Pen-clubs zetten voorshands hun gescheiden bestaan voort, de kunstacademies in beide delen van de nieuwe Duitse hoofdstad eveneens. Maar zelden wordt ondanks de gemeenschappelijke preocupatie met de jongste Duitse geschiedenis de gewenste onderlinge afstand zo duidelijk als bij de twee Volksbuhnes.

Beide theaters zijn loten van dezelfde stam, de arbeiders-verlichtingsbeweging aan het eind van de vorige eeuw. Maar ze hebben elkaars vertegenwoordigers zelfs niet uitgenodigd op elkaars protestbijeenkomsten. 'Dat is ook goed zo', meent dramaturg Rudiger Mangel van de Freie Volksbuhne. 'Anders zou het voor de buitenwereld kunnen lijken alsof we toch met elkaar te maken hebben.'

Niet bekend

Aan de financiering van de Westberlijnse culturele instellingen wil de senator in geen geval tornen, van verdeling van beschikbare middelen over beide stadsdelen kan geen sprake zijn, hoewel Berlijn eind dit jaar een gemeente wordt. Bereidwillig legt Martiny ook uit waarom zij juist de Volksbuhne's heeft uitgezocht voor haar enige fusievoorstel: beide theaters waren onder verschillende omstandigheden de laatste jaren wat in de versukkeling geraakt. Zij rechtvaardigt de fusie ook met een uitbreiding van het culturele aanbod in Berlijn: de Oostberlijnse Volksbuhne kan mooi tot ballettheater worden verbouwd.

Twee lokale politici maken het publiek vertrouwd met de politieke problematiek van de Westduitse kunstsubsidiering. Een zaal als deze met duizend plaatsen kan niet alleen met hoogwaardige avantgarde-produkties worden gevuld, waarschuwt de SPD-er. En de man van de CDU verzekert dat de politieke- en financiele zorgen van de regering in Bonn de komende tijd niet aleereerst de cultuur betreffen. Hij bepleit een 'grote coalitie' in Berlijn tussen CDU en SPD, om de belangen van de stad te garanderen.

Als na een uurtje of wat de bijeenkomst is afgelopen, is bij de acteurs de onzekerheid niet afgenomen, maar hun woede eerder toegenomen. 'Die Martiny heeft hier vast nog nooit een voorstelling gezien', zegt een van hen. Slechts over een ding is iedereen het eens: Berlijn moet zo snel mogelijk hoofdstad en regeringszetel worden. Pas dan is er kans op Berlijn als de 'culturele metropool van Europa', waarvan iedereen zich hier zo veel voorstelt. Het eertijds zo trouwe publiek van de Volksbuhne blijft inmiddels bijna volledig weg bij de 48-uurs 'cultuurmarathon' die het theater heeft georganiseerd om de eis tot een nieuw, onafhankelijk bestaan kracht bij te zetten. Andere zorgen, zeker.

    • Raymond van den Boogaard