NEDERLAND 1991

Zachtjes zoemen de computers van het Centraal Planbureau in Den Haag. Het is 2 augustus 1990. Gisteren hebben de rekenmeesters van de Nederlandse economie hun voorbereidingen afgerond. Over een paar minuten liggen de resultaten op tafel. Resultaten die zullen worden gepubliceerd in de Macro Economische Verkenning (MEV) die net als de Miljoenennota op Prinsjesdag verschijnt.

De radio meldt dat Irak Koeweit is binnengevallen en de rekenmeesters weten dat ze een groot deel van hun huiswerk moeten overdoen. Ze waren na de OPEC-vergadering van eind juli uitgegaan van een olieprijs van gemiddeld twintig dollar per vat. Het leek ze nu verstandiger voor de laatste maanden van 1990 met een prijs van 23 dollar rekening te houden en met 20,5 dollar voor 1991. En de situatie was wel zo onduidelijk, dat het geen kwaad kon nog een ander scenario door te rekenen. Een onzekerheidsvariant met een olieprijs van dertig dollar.

De verleden week verschenen Verkenning voor volgend jaar begint met een korte beschrijving van het wereldtoneel. Het wel en wee van de belangrijkste spelers verschilt nogal. De VS en Groot-Brittannie laten een heel zwakke groei zien, terwijl West-Duitsland en Japan hun produktie juist uitbundig zien stijgen. Voor de wereld als totaal is het prettig dat de plussen en minnen van deze hoofdrolspelers elkaar wat compenseren. Gevolg van een en ander is dat de volumestijging van de wereldhandel in 1991 op ruim vijf procent wordt geschat. De groei van de Nederlandse afzet in het buitenland ligt zelfs nog een puntje hoger omdat wij zo sterk op de Bondsrepubliek zijn gericht. Maar om van die toenemende exportmogelijkheden ook werkelijk profijt te kunnen trekken, zullen we moeten knokken. Onze export ondervindt nadeel van de verwachte daling van de dollarkoers (van 1990 op 1991 van 1,85 gulden naar 1,75 gulden). In dollars geprijsde goederen hebben dan immers een voorsprong op de onze.

De toegenomen onzekerheid in de wereld en de hoge rente hebben een drukkend effectuitwerking op de bestedingen van particulieren. De mensen worden wat voorzichtiger met hun aankopen. Niet alleen thuis, ook als ze achter hun bureau een investeringsbeslissing moeten nemen. Thuis kopen ze liever nog wat blikken bruine bonen in plaats van een nieuwe videorecorder. Op de zaak besluiten ze de bouw van de nieuwe fabriekshal nog maar even uit te stellen. Groei van particuliere consumptie en investeringen nemen af. De overheidsinvesteringen handhaven zich, vooral door het op gang komen van extra investeringen voor infrastructuur en milieu. Dank aan Maij en Alders.

In totaal een wat lagere groei van de nationale produktie van bijna vier procent naar ruim twee procent. En dat heeft meteen gevolgen voor de vraag naar werknemers, de werkgelegenheid. Kwamen er in 1990 nog 80.000 volle banen bij, in 1991 zakt dit naar 50.000. De in de afgelopen jaren met sprongen van 40.000 personen per jaar terugvallende werkloosheid blijft hangen rond de 340.000 mannen en vrouwen.

Olievariant

Tot zover het niet alarmerende maar toch ook niet al te opwekkende beeld voor onze economie in 1991. Maar die berekening is dan wel gebaseerd op een olieprijs van 20,5 dollar en een dollar van 1,75 gulden. Nu komen we even terug op de kans dat de olieprijs vanaf het vierde kwartaal van dit jaar gemiddeld 30 dollar per vat zal zijn. Een hogere olieprijs betekent dat de olieproducenten wat rijker en de olieafnemers wat armer worden. Het aardgas-sjeikdom Nederland heeft daarvan overigens minder last dan niet-gasrijke olie-afnemers. De aardgasprijs volgt immers - met wat vertraging - de olieprijs.

Minister Kok kan de aardgasmeevaller best gebruiken voor het dempen van zijn tekort.

Alle olie-afnemers samen zullen minder gaan besteden. Hun consumptie en investeringen en hun invoer lopen terug. En zolang dit niet wordt opgevangen door toegenomen aankopen van de nu rijkere olieproducenten, krijgt de wereldhandel een deuk(je) van naar schatting een procent-punt minder groei. De hogere energieprijs zorgt voor een hogere prijsinflatie. En dat werkt weer door in een hogere rente. De werkgelegenheid zal niet met 50.000 maar met 40.000 volle banen toenemen. Niet dramatisch, stelt de MEV terecht vast. Deze schok is dan ook maar een kwart van de klappen die we in 1973/74 en in 1979/81 kregen. Een stijging van twintig dollar naar dertig dollar is heel wat minder dan van twee dollar naar dertig dollar. Bovendien zijn de economieen nu krachtiger dan toen en dus beter in staat de klap op te vangen.

Dollarvariant

Behalve duurdere olie vormt ook een lagere dollarkoers een risico. We prikken de olieperijs weer even vast op ruim 20 dollar. Stel dat ze in Amerika de rente verlagen om een recessie te vermijden. De dollar wordt dan minder aantrekkelijk voor beleggers, dus z'n koers zakt.

Wat betekent dit voor Nederland? Een dollar van 1,60 gulden zou bij ons de in dollars luidende invoerprijzen - dus ook die van olie - verlagen. Minder prijsinflatie dus. Onze concurrentiepositie zou nog iets verder worden aangevreten met negatieve gevolgen voor het uitvoervolume. Dit werkt weer negatief door in de investeringen en de produktie. De winstgevendheid van het bedrijfsleven daalt verder. Het financieringstekort van minister Kok loopt op, omdat evenals de olie ook het aardgas in dollars goedkoper wordt.

Een opmerkelijk verschil tussen de twee varianten: een hogere olieprijs is ongunstig voor de inflatie en gunstig voor het financieringstekort; een lagere dollar heeft juist tegengestelde effecten. Maar op winstgevendheid, export, consumptie, investeringen, produktiegroei en werkgelegenheid werken ze beide in dezelfde neerwaartse richting. Het minst vrolijke scenario krijg je dan ook wanneer beide varianten tegelijk werkelijkheid worden.

Behalve deze twee risico's - olie en dollar - van buitenlandse oorsprong zijn er ook nog die we ons zelf kunnen aandoen. Bijvoorbeeld kan de loonontwikkeling uit de hand lopen. Werknemers vinden de afgesproken ruim drie procent verbetering wat mager. Ze willen na al dat beheerste optreden het resultaat van de vette jaren wat duidelijker in hun portemonnee voelen. En - o wee - als ze compensatie willen voor de hogere energieprijzen. De - zie boven - toch al onder druk staande winstmarge van de ondernemingen moet dan nog een veertje laten. Je mag hopen dat we intussen van de vorige olieprijsverhogingen hebben geleerd dat die niet op de werkgevers moeten worden afgewenteld. En dat we ook hebben onthouden dat je dit soort waarschuwingen niet als typische werkgeverspraatjes moet afdoen. Helaas kent elk geheugen zijn beperkingen.

    • Rolf Schöndorff
    • Economie voor Jou