Meeste ouders zijn tegen vergroting van de basisschool

EINDHOVEN, 26 sept. Als het aan de ouders ligt, verandert de grootte van basisscholen niet. Driekwart wil de bestaande situatie handhaven. Hoewel het overgrote deel vindt dat basisscholen aparte opvang zouden moeten hebben voor zwakke leerlingen, wenst niet meer dan 17 procent de grotere scholen waar dit mogelijk is. Overigens zijn bijna alle ouders tevreden over de school van hun kind.

Dat is de uitkomst van een door het bureau Inter/View gehouden enquete onder 500 ouders. Het bureau presenteerde de resultaten gisteravond op het congres 'De grensverleggende basisschool'. De uitkomst stond in schril contrast met de vele toespraken overdag. Onder het motto dat het niet goed gaat met de Nederlandse basisschool hadden alle sprekers voornamelijk onderwijskundigen zich uitgesproken voor schaalvergroting. Volgens hen kunnen alleen grotere scholen kwaliteit garanderen. Gespecialiseerde onderwijzers, een onderwijzer per klas en een professionele directeur zijn slechts op een grote school mogelijk. En verder doen kleine scholen een onverantwoorde aanslag op het budget van het ministerie van onderwijs.

Maar hoe groot is groot? Het onlangs uitgebrachte rapport over schaalvergroting in het basisonderwijs rept van scholen met gemiddeld 500 leerlingen. Op zo'n 'ideale school' zijn 18 klassen (waarvan 2 voor zwakke leerlingen), een van lesgeven vrijgestelde directeur en een gespecialiseerd team van onderwijzers. Verwijzen naar het speciaal onderwijs is zo goed als onnodig: de school lost de problemen zelf wel op.

Prof.dr. J. Claessen, mede-auteur van het rapport, herhaalde gisteren dat volgens zijn 'stellige overtuiging' zo'n school de beste is. Het is, zei hij, 'een kwestie van herverdeling': 'Er is iets mis als een wethouder van een plattelandsgemeente met 2200 leerlingen op 20 schooltjes 14 miljoen gulden krijgt, en een wethouder van een middelgroot stadje 7 miljoen voor 2200 leerlingen op 8 scholen.'

Maar het streefgetal van 500 leerlingen heeft in de kring van onderwijskundigen voor scepsis gezorgd. Het getal is arbitrair vinden de meesten, en de onderbouwing op zijn minst zwak. Prof.dr. B. P. M. Creemers, een van de sprekers, brengt binnenkort een artikel uit waarin hij de auteurs van het rapport beschuldigt van een 'onaanvaardbaar laag' empirisch gehalte en een 'onaanvaardbaar hoog' speculatief gehalte. Volgens Creemers hebben de auteurs van het rapport ten onrechte genegeerd dat grote scholen vaker verwijzen naar het speciaal onderwijs. Bovendien zet hij vraagtekens bij het gebruik van de uitkomsten van de CITO-eindtoets als bewijs dat grote scholen betere resultaten halen: 'Het is bekend dat grote scholen die toetsen voor kinderen die toch naar het LBO gaan, vaak achterwege laten'.

In Nijmegen bereidt dr. P. Tesser eveneens een artikel voor waarin hij de vloer aanveegt met de argumentatie van het rapport. Tesser onderzoekt de effecten van het onderwijsvoorrangsbeleid. Hij heeft daarvoor kinderen van 800 scholen CITO-toetsen laten maken. Uit Tessers onderzoek blijkt niet dat kinderen op grote scholen de CITO-toets beter maken. Volgens hem lijdt de bewijsvoering van het rapport over schaalvergroting in het basisonderwijs aan 'een oververtegenwoordiging van betere grote scholen'. Veel van de scholen die Tesser onderzocht zijn grote scholen die gewoonlijk geen gebruik maken van de CITO-eindtoets, omdat ook zij wel weten dat hun leerlingen naar het LBO gaan.

Hoewel niet iedereen zich zo duidelijk uitspreekt als Creemers en Tesser vielen er nog meer bezwaren tegen het rapport te beluisteren. Zo vroeg men zich af of de rol van een professionele directeur niet wat wordt overschat. Ook is het niet zeker dat de meerwaarde van een school met 500 leerlingen groot genoeg is om een ingrijpende fusie-operatie te rechtvaardigen. Bovendien gaat een zo vergaande schaalvergroting misschien wel meer kosten dan opleveren. Trouwens, moeten wij ons niet spiegelen aan het buitenland, waar men net bezig is de voordelen van kleinere scholen opnieuw te ontdekken?

Aan het einde van de dag had een groot aantal 'ideale basisscholen' de revue gepasseerd, varierend van de 500 leerlingen van Claessen tot scholen met 250 leerlingen, scholen met ten minste 100 leerlingen en scholen die bestuurlijk samenwerken. Een directeur in de zaal die een vrije dag had genomen om erbij te zijn, vroeg zich voor de interruptie-microfoon af of het dan niet beter zou zijn 'de scholen maar gewoon zo te laten'. Maar alleen de ouders waren dat met hem eens.