JAPANSE BANKIER OP TERUGTOCHT

De Japanse banken, de afgelopen jaren uitgegroeid tot de belangrijkste verschaffers van kapitaal in de wereld, hebben plotseling te weinig geld. Beurscrisis en hogere rente doen het financiele bastion in Tokio wankelen.

De mondiale geldpomp hapert. Het Japanse bankwezen, het afgelopen decennium uitgegroeid tot verschaffer van tweevijfde van alle internationale leningen in de wereld, zit plotseling krap bij kas - een gevolg van scherp gestegen rente en de crisis op de beurs van Tokio. Het afgelopen jaar hebben de Japanse banken, waaronder de acht grootste in de wereld, hun rentekosten zien verdubbelen, hun belegde reserves zijn met tientallen miljarden dollars geslonken en de resultaten zijn bij veel banken met een kwart gekelderd. Daarbij komt nog eens dat de laatste tijd steeds meer twijfel rijst over de werkelijke waarde van het Japanse onroerend goed dat dient als onderpand voor vele bankleningen.

Die ontwikkelingen zullen zonder twijfel gevolgen hebben voor de positie van Japan als grootste kredietverstrekker in de wereld. Terughoudendheid van Japanse banken bij riskante projecten is al duidelijk merkbaar. Zo hielden de bankiers de geldkraan dicht toen hen werd gevraagd een kwart van een nieuwe lening voor de Kanaaltunnel voor hun rekening te nemen. Ook bestaat nogal wat ongerustheid over wanbetaling door de clienten. Voor de leningen aan Derde-Wereldlanden moeten de banken inmiddels veertig procent aan reserves aanhouden (was tot voor kort 25 procent).

Eiichi Matsumoto (62), vice president van de Bank of Tokyo, met ruim 250 vestigingen in het buitenland de meest internationale Japanse bank, windt er geen doekjes om. 'De Japanse banken hebben de afgelopen paar jaar hun internationale leningen jaarlijks gemiddeld vijftien tot twintig procent kunnen uitbreiden, maar ze zullen die internationale expansie nu afremmen tot naar schatting tien procent en sommige zullen mogelijk inkrimpen', voorspelt hij.

Zelf wil de Bank of Tokyo - met een balanstotaal van 222 miljard dollar nummer twaalf op de wereldranglijst - de groei halveren van twintig naar ongeveer tien procent, zegt Matsumoto. Cijfers van de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) in Bazel over een daling van de Japanse expansie in het eerste kwartaal van dit jaar bevestigen het beeld dat hij - op bezoek bij het kantoor van zijn bank in Amsterdam - schetst.

Volgens Matsumoto komen de huidige problemen bij de Japanse banken op een 'hoogst ongelukkig' moment. 'De hervormingen in Oost-Europa vergen veel krediet en de Verenigde Staten hebben nog steeds tekorten, waarvoor veel kapitaal nodig is.' De Golfcrisis vreet geld, de wereldbevolking groeit komend decennium met ruim een miljard zielen en de Japanse regering zelf gaat veel meer geld aan openbare werken uitgeven.

Maar terwijl de vraag naar geld allerwege toeneemt, wordt het aanbod schaarser, niet alleen uit Japan. West-Duitsland, na Japan de grootste internationale geldleverancier in de wereld, heeft zijn geld plotseling nodig voor de redding van de Oostduitse economie. En in de Verenigde Staten verkeert een groot aantal banken flink in de problemen, onder meer door riskante leningen aan bedrijven die zijn getroffen door de daling van de onroerendgoed prijzen in de VS. Internationaal krediet wordt schaars, en het logisch gevolg is dat de rente omhoog gaat.

Een kwart van de Japanse leningen is verstrekt met onroerend goed als onderpand terwijl de indirekte betrokkenheid nog groter is. Sommige analisten vrezen dat instorting van de hoge onroerendgoedprijzen in Japan net zoals in de VS tot wanbetaling leidt waardoor de banken in ernstige problemen komen. Matsumoto is niet bang voor een onroerendgoed crisis: 'De centrale bank en het ministerie van financien hebben via de rente, kredietrestricties en wetgeving veel invloed op de markt. We kunnen de zaak daardoor goed in de hand houden.'

De omslag op de Japanse kapitaalmarkt heeft zich pas recentelijk voltrokken. Tot eind vorig jaar konden de Japanse banken in eigen land nog putten uit een overvloed aan goedkoop geld. De uiterst produktieve - maar sober levende - bevolking spaart ongeveer een zesde van het besteedbare inkomen en wordt in feite gedwongen het geld goedkoop uit te lenen. Japanners mogen niet zelf in het buitenland beleggen, dat recht is voorbehouden aan de financiele instellingen in het land. De Japanners brachten daarom afgelopen jaar bijna de helft van hun spaarcenten direct naar de bank en stalden nagenoeg een kwart bij de levensverzekeraars die hiervan weer een groot deel naar de banken doorsluisden, onder andere door nieuwe aandelen in die banken op te kopen.

Zelf kocht de bevolking ook volop aandelen in banken, waardoor de beurskoersen vanaf het midden van de jaren tachtig omhoogschoten. De aanhoudende koerswinsten maakten hun aandelen zo populair, dat de banken konden volstaan met een schamel dividend van gemiddeld 0,2 procent per jaar. Met de belofte als extraatje over vier tot vijf jaar bankaandelen te zullen leveren tegen de koers op dit moment, konden de banken bovendien voor slechts twee tot drie procent lenen op de internationale kapitaalmarkt; de kopers van deze zogeheten converteerbare obligaties geloofden heilig in een voortgaande stijging van de aandelenprijzen. Matsumoto: 'Zo heeft onze bank in de jaren 1987-1989 direct en indirect voor 2,6 miljard dollar binnengehaald.'

Deze bron van goedkoop geld is in een keer opgedroogd nu de beurs van Tokio dit jaar met veertig procent is ingezakt en de belangstelling voor nieuwe bankaandelen of daaraan gekoppelde obligaties volledig is weggeebd.

Voor de banken resteert daardoor slechts de spaarrekening als traditionele, goedkope geldbron. Maar juist op dit punt worden de Japanse banken pijnlijk geconfronteerd met de gevolgen van liberalisering van de kapitaalmarkt. Jarenlang heeft de Japanse overheid de rente op spaargelden kunstmatig laag gehouden, maar onder internationale druk heeft Tokio besloten deze vorm van protectie stapsgewijs af te schaffen. Volgens de huidige regels moeten de Japanse banken nu al over tweederde van het spaargeld de geldende marktrente betalen, en over twee tot drie jaar over al het spaargeld. Dat komt extra hard aan nu de marktrente in Japan vooral het laatste jaar snel is gestegen. Per saldo zijn de rentekosten voor de banken in ruim een jaar daardoor al verdubbeld tot acht procent.

De Japanse banken kunnen dus minder makkelijk aan geld komen en moeten er bovendien zeker tweemaal zoveel voor betalen als voorheen. Om het hoofd boven water te houden, moeten ze daarom zelf ook een hogere rente gaan vragen, ook voor leningen aan het buitenland.

Maar behalve dit probleem, is er een ontwikkeling die de Japanse banken op dit moment zo mogelijk nog grotere zorgen baart en die de kern van hun bestaan raakt. Van oudsher plegen de banken in Japan de vertrouwensrelatie met grote clienten te bezegelen met de koop van een flink pakket aandelen in de betreffende ondernemingen. Japanse banken bezitten naar verhouding veel meer aandelen in bedrijven dan Amerikaanse en Europese banken. Het risico daarvan ervaren ze nu de koersen op de beurs van Tokio dit jaar al met veertig procent zijn gedaald. De beurscrisis treft de Japanse banken veel harder dan hun buitenlandse collega's. Een direct gevolg is dat hun reserves met tientallen miljarden dollars tegelijk zijn geslonken.

Die erosie van de reserves tast rechtstreeks de kredietwaardigheid van de banken aan. Volgens internationale voorschriften van de Bank voor Internationale Betalingen moeten de Japanse banken tegen elke honderd dollar die wordt uitgeleend, acht dollar aan eigen middelen hebben staan. Veel banken in Japan zijn inmiddels al onder die kritische grens gezakt. Formeel geldt de dekkingsvereiste pas vanaf 31 maart 1993, maar de banken doen er alles aan om zo snel mogelijk boven de magische acht procent uit te komen. Hun reputatie staat op het spel, en aantasting daarvan vertaalt zich onmiddellijk in hogere kosten in de vorm van een 'risico-premie'. Gezaghebbende bureaus als Moody's en Standard en Poor, die kredietwaardigheid van bedrijven en financiele instellingen taxeren, hebben de zogenoemde 'credit rating' van een aantal Japanse banken al verlaagd, met als gevolg dat geldschieters aan die banken een hogere rente vragen.

Matsumoto: 'Meteen nadat de dekkingsvereisten in 1988 bekend zijn gemaakt, zijn we ons op die richtlijnen gaan richten. We zijn bij de berekening van het dekkingspercentage overigens sterk afhankelijk van de koers van de yen omdat onze schuldpositie voor 55 procent in dollars luidt en voor 12 procent in andere valuta.'

Op 31 maart 1990, het einde van het Japanse boekjaar, kwam de Bank of Tokyoprecies uit op acht procent terwijl vier van de vijftien grote Japanse banken de norm niet haalden. Aan het eind van deze week, als de eerste helft van het nieuwe boekjaar eindigt, verwacht Matsumoto 'iets boven de acht procent uit te komen'. Nomura, het grootste Japanse effectenhuis, schat dat dan twaalf van de vijftien banken niet aan de norm voldoen, er van uitgaande dat de beursbarometer in Tokio deze week rond de 23.000 blijft hangen. Vanochtend sloot het gemiddelde op 22.250,62.

In theorie kunnen de Japanse banken hun door de beurscrisis aangetaste financiele buffers proberen op te vijzelen door het reserveren van winsten. Maar juist door de tegenvallers waarmee ze worden geconfronteerd, zien veel banken hun winst aanmerkelijk slinken, waardoor ook die uitweg een stuk moeilijker is geworden.

De verwachting is dat de winsten in de Japanse banksector de komende tijd nog verder zullen slinken. Volgens de Amerikaanse analist Daniel Kreps van het Amerikaanse Stanford Research Institute (SRI) verkeert een aantal Japanse banken zelfs al in de gevarenzone, en worden de eigenlijke verliezen gecamoufleerd door boekhoudkundige kunstgrepen.

Zo bestaat de twee miljard dollar winst voor belasting van Sanwa bank voor een kwart uit een boekwinst omdat obligaties plotseling tegen de inkoopprijs worden geboekt in plaats van de marktwaarde. De rest is het gevolg van een papieren boekwinst uit het kopen en direkt weer terugkopen van aandelen via een bevriend bedrijf.

Voor sommige banken in Japan is de nood inmiddels zo hoog gestegen, dat afgelopen zomer in nauwe samenspraak met het ministerie van financien een nieuwe uitweg is gecreerd: de mogelijkheid voor banken om langlopende achtergestelde leningen uit te geven. Die kan de bank bij de eigen middelen tellen omdat de geldschieter pas zijn geld mag opeisen als de bank aan alle andere schulden heeft voldaan. Op die manier - tot voor een paar maanden geleden nog wettelijk verboden voor de algemene banken - kan een bank zijn reserve opkrikken.

Van die nieuwe mogelijkheid wordt dankbaar gebruik gemaakt. Ook de Bank of Tokyo doet dat. Matsumoto: 'We hebben onlangs met een achtergestelde obligatielening achthonderd miljoen dollar binnengehaald, wat voor ons voorlopig voldoende is.' Nomura schat dat de vijftien grote Japanse banken op deze manier in korte tijd al meer dan tien miljard dollar aan hun dekkingskapitaal hebben toegevoegd. Met een rentepercentage van 8,5 procent is dat overigens een dure grap voor banken die gewend waren hun kapitaal tegen een rente van een half tot drie procent aan te zuiveren.

Niettemin verwacht Matsumoto geen dramatische ontwikkelingen voor de Japanse banken: 'De grote expansie van het bankwezen is voorbij, maar daar blijft het bij.'