DDR-diplomaat relativeert historische sluiting ambassade

DEN HAAG, 26 sept. Nog vijf dagen. Dan zal hij de koningin oficieel laten weten dat de ambassade van de Deutsche Democratische Republik ophoudt te bestaan. Dat het pand aan de Haagse Andries Bickerweg pal naast de ambassade van Irak vergrendeld wordt. Dat hij en zijn mensen terugkeren naar de DDR. 'Nee, excuus, naar Duitsland.'

L. (Lothar) Nestler, 58, de laatste DDR-ambassadeur van Nederland, praat relativerend, haast raillerend over de 'toch wel historische taak' die hem volgende week dinsdag te wachten staat: de sluiting van de DDR-ambassade in Den Haag op de dag voor de eenwording, 2 oktober.

Vijf weken geleden vroeg hij zich nog af hoe de Nederlandse vorstin duidelijk zou gaan maken dat het verscheiden van de ambassade een feit was geworden: 'Stuur ik haar een brief of moet ik naar haar toe?' Toen de verslaggever noch de persattache op de hoogte bleken van de geldende diplomatieke normen bij de sluiting van ambassades, stelde hij cynisch vast dat daarover nodig eens moest worden getelefoneerd. De kwestie is inmiddels opgehelderd: hij bezoekt haar.

Als Nestler volgende week vertrekt heeft hij de DDR ongeveer een half jaar in Nederland gediend. In april volgde hij Karl Wildau op, een schoonzoon van ex-DDR-leider Honecker. Wildau's echtgenote was volgens F. Neijts, secretaris van de vereniging Nederland-DDR, in haar priveleven een redelijk getrouwe kopie van vader: 'Zij lag altijd in Scheveningen aan het strand en gaf van daaruit, op het onbeschofte af, opdrachten aan het ambassadepersoneel.'

Nestler wil geen kwaad woord over zijn voorganger en diens echtgenote kwijt. De rest van de nog spaarzaam overgebleven ambassademedewerkers evenmin. Wel willen zij praten over de teleurstellingen die ze het laatste jaar hebben ondergaan: de Oostduitse werkelijkheid bleek voor de meeste van hen, zo zeggen ze, te schokkend om haar gemakkelijk te accepteren. Intussen werden ze, naar hun mening ten onrechte, door vriend en vijand als Stasi-agent gebrandmerkt, om daarna te merken dat de razendsnel beklonken eenwording voor DDR-diplomaten een ontslag op staande voet behelsde: de Westduitsers wensen niet van hun diensten gebruik te maken.

Nestler behartigt hun belangen: 'Het cliche dat rondgaat over DDR-diplomaten is dat ze behalve volbloed-SED'er ook stuk voor stuk Stasi-agent zijn. Daarom krijgen we als diplomaat geen kans ons werk voor het 'nieuwe' Duitsland voort te zetten. Maar bijvoorbeeld ik, en velen, zeer velen met mij, alle medewerkers die hier nu nog zijn, hebben nooit iets met de Stasi te maken gehad. Ik heb ze erover ondervraagd toen ik hier kwam, ze hebben me overtuigd.'

U zegt dat er hier nooit Stasi-medewerkers zijn geweest?

'Dat weet ik niet. Ik spreek over de tijd dat ik hier werk, vanaf april.' Later in het gesprek komt hij er uit zichzelf op terug: 'Ik ben nagenoeg zeker dat ook hier Stasi-medewerkers hebben gewerkt. De Stasi was overal. Maar ik weet niet wie het waren, dat is het probleem.'

Waarom bent u naar Nederland gekomen? ..' ..of moest weg?

'Nee, dat geloof ik niet, werkelijk niet in ieder geval, toen hij weg bleek te willen heeft men mij in januari gevraagd of ik zijn werk wilde overnemen. Ik heb geaarzeld, u mag dat weten. Op dat moment verwachtten we dat de eenwording zeker nog enige jaren op zich liet wachten. Het idee was dat ze parallel zou verlopen aan het verdwijnen van de Europese binnengrenzen in 1992. Ik ging er derhalve vanuit dat ik enige jaren hier zou zijn. En dat dunkte me, gezien mijn leeftijd, wat lang.

Het is anders gelopen. De DDR wordt nu al door de Bondsrepubliek overgenomen, ik zou niet van een eenwording willen spreken. Wat zich in ons land op grote schaal voltrekt, gebeurt in Nederland op kleine schaal: de BRD-ambassade neemt die van de DDR over. Het gebouw, onze bezittingen, alles. Ik vind het treurig. Ja. Maar ja.'

Het is 35 jaar geleden dat Nestler zich aansloot bij de SED. 'Ik was 22, een jong mens. Ik heb de oorlog bewust meegemaakt. Daarin heb ik gemerkt wat het fascisme betekende, wat het mensen aandeed. Ik heb gezien hoe de nazi's in de laatste oorlogsdagen mensen neerschoten, weerloze mensen die andere ideeen dan zij hadden. Ik geloofde dat de SED een betere toekomst kon brengen voor het Duitse volk. Een socialistische toekomst. Ik was ervan overtuigd dat daarmee de uitbuiting van de mensen tot staan kon worden gebracht.

Na de oorlog was ik eerst handarbeider. In de jaren '50 kwam ik op Buitenlandse Zaken terecht, waar ik deel uitmaakte van de Scandinavische opleiding. Later werkte ik in Finland en Zweden. Dat was geen persoonlijke voorkeur. Zelf wilde ik graag naar India, dat land fascineerde me. Maar men deed me een voorstel en ik zei ja, dat deed je automatisch in die tijd.'

Waarom?

'Dit is een cruciale vraag. Want ook later hebben niet alleen ik, maar het grootste deel van het volk, steeds 'ja' gezegd terwijl we iets anders dachten. In de jaren '50 geloofde ik in ons land, het was een alternatief voor de achter ons liggende periode. De opbouw van het land vergde onderlinge solidariteit, dat bepaalde onze houding. Op dat moment was dat logisch, later minder. Maar toen was die houding bij mij een automatisme geworden.

Zo herinner ik me mijn tijd in de Sovjet-Unie, waar ik een deel van mijn opleiding tot diplomaat kreeg. Dat land was ons voorbeeld. Ook het mijne. Maar toen ik in 1959 daar was zag ik al dat het beeld dat in de DDR van de Sovjet-Unie werd geschetst niet juist was. Het systeem was bepaald niet perfect, de economie draaide slecht. Ik heb dat vastgesteld, en meer niet. Helaas niet.'

Op gelijke wijze ging u met de verwording van het DDR-socialisme om?

'U moet mij geloven dat ik van veel zaken werkelijk niets wist. Slechts van sommige van die kwesties had ik een idee. Bijvoorbeeld van de handel van Schalck-Golodkowski (van het inmiddels beruchte staatssecretariaat van Kommerzielle Koordinierung, 'KoKo'), omdat het in de buitenlandse dienst in Berlijn al een paar jaar gewoonte was hem en zijn apparaat 'de gangsters' te noemen. Dat was een aanwijzing. Maar ik en niemand bij ons wist dat het zo erg was.'

Kunt u zich op basis van uw werk in de buitenlandse dienst voorstellen dat, zoals in West-Duitsland is gebeurd, de Nederlandse vredesbeweging vanuit de DDR financieel is gesteund?

'De DDR, de Oostduitse overheid, heeft dat zeker niet gedaan. Maar als zou blijken dat de SED, of bepaalde vertakkingen van de SED, dat deed, zou het me niet verrassen. Er is me niets van gebleken. Maar gezien de steun die de SED aan de Westduitse communisten gaf, en aan vredesgroepen daaromheen, kan ik me goed voorstellen dat het hier ook is gebeurd. Ik heb er geen enkel bewijs voor, maar na alles wat ik van de praktijken van de SED heb vernomen is het iets dat voor de hand ligt.

Maar u moet mij permitteren: zulke zaken krijgen te veel aandacht in de pers. Want uiteindelijk zijn dit de bijzaken die de wortel van het echte probleem dat in de DDR bestond maskeren: onze inefficiente economie. Wij hadden geen werkloosheid, zeiden we. We dachten dat we sociaal waren. Onze produktiviteit bleef er ver door achter. Dat is de prijs die we hebben betaald voor ons sociale gedrag.'

Socialist bent u niet meer?

'Ik ben geen kapitalist. Ik bekijk de dingen tegenwoordig realistischer. Ik meen nog altijd dat men moet streven naar een rechtvaardige samenleving. Als u dat socialistisch vindt, ben ik nog steeds socialist. Of ik PDS-lid ben? In het verleden was dat voor een ambassadeur een obligate vraag. Nu is het een prive-zaak.'

Hebt u enig idee wat u over een jaar zult doen?

'Geen enkel. Ik ben 58. De omscholingscursussen die aan DDR-diplomaten worden aangeboden hebben voor mij weinig zin meer. Waarschijnlijk kom ik in aanmerkingvoor zes maanden wachtgeld. En daarna zal ik wel werkloos worden. Het is vrijwel uitzichtsloos voor mij. Ik maak me geen illusies. Ik lach er nu om, maar het is niet lachwekkend. Misschien, denk ik wel eens, misschien kan ik nog aan de slag in mijn oude beroep: penseelmaker. Ik schuw geen lichamelijke arbeid. Maar ook dat zal gezien mijn leeftijd zeer, zeer moeilijk zijn.

Ik zal u wat vertellen. Laatst had ik hoe heette die man ook weer? Van Lede, van uw werkgevers, op bezoek, samen met een medewerker van de BRD-ambassade. Ik vertelde hem wat ik verdien zo'n 1000 D-Mark per maand. Toen zei die Herr Lede tegen me: dat is minder dan het minimumloon hier! Hij geloofde me niet, had ik de indruk. Later belde die medewerker van de BRD-ambassade ook nog op: is het echt waar? Toen heb ik hem gewezen op al die berichten over de zogenoemde privileges van 'hogergeplaatste' DDR-burgers. En dat ik daar niet bij hoor. Ik heb hem gevraagd: bent u nu overtuigd?'