ASOCIAAL?

Het vaderlandse bedrijfsleven zit dringend om mensen verlegen. Dit voorjaar telde het Centraal Bureau voor de Statistiek bijna 150.000 onvervulde vacatures. Op datzelfde moment waren volgens het Centraal Planbureau een half miljoen mensen op zoek naar een baan. Vraag en aanbod sluiten kennelijk slecht op elkaar aan. De ondernemingen vragen jonge, gemotiveerde en redelijk tot prima opgeleide werknemers. De meeste werkzoekenden hebben in de ogen van de werkgevers onvoldoende te bieden. Hun opleiding schiet te kort of is verkeerd gericht. Bedrijven kunnen slecht uit de voeten met jongeren die hun opleiding niet hebben afgemaakt of buitenlandse werknemers die de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn. Het bedrijfsleven zit evenmin te wachten op de tienduizenden werkzoekenden met een hogere sociale of culturele opleiding. Al deze werkzoekenden zouden zich moeten bij- en omscholen om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

Een deel van de werkzoekenden kan of wil dat niet. Maar er zijn nog andere belemmeringen. In de praktijk moeten veel werkzoekenden over een hoge financiele drempel heen. Langdurig werklozen gaan er namelijk niet of nauwelijks op vooruit, nadat zij bij een baas zijn begonnen. Van de ongeveer 800.000 gezinnen die moeten rondkomen van een minimuminkomen, geniet de helft als 65-plusser van de AOW of is arbeidsongeschikt verklaard. De andere helft is in beginsel beschikbaar voor de arbeidsmarkt.

De vorige week dinsdag verschenen Notitie inkomensbeleid 1991 van minister De Vries van sociale zaken en werkgelegenheid (SZW) bevat ontluisterende berekeningen die onomstotelijk aantonen dat deze 400.000 economisch inactieven (werklozen en weduwen jonger dan 65 jaar) meestal een dief van hun eigen portemonnee zijn wanneer zij een aangeboden baan zouden accepteren.

Neem een huisvader die een minimumuitkering van netto 1.700 gulden per maand krijgt (dit bedrag is inclusief het vakantiegeld, dat eenmaal per jaar wordt uitgekeerd). Wanneer dit gezinshoofd tegen het wettelijk minimumloon gaat werken, verdient hij voortaan netto zestien gulden per maand meer dan zijn vroegere uitkering. Daar staat tegenover dat hij voor reiskosten en andere kosten in verband met zijn baan gemiddeld 65 gulden per maand kwijt is. In feite gaat zo iemand er na het aanvaarden van werk tegen het minimumloon vijf tientjes in de maand op achteruit. Alleen grote idealisten gaan onder deze omstandigheden aan de slag.

Het is niet prettig om elke ochtend door weer en wind naar fabriek of kantoor te moeten reizen. Uit onderzoek blijkt dat de meeste werkzoekenden tien tot vijftien procent meer willen verdienen als compensatie voor zulke zwarigheden, voordat zij aan hun loon evenveel tevredenheid ontlenen als aan hun vroegere uitkering. Veronderstel dat een werkgever hiervoor begrip heeft. Hij biedt een loon boven het minimumniveau, om het werken voor de gewezen uitkeringsontvanger aantrekkelijk te maken. Nu doemt een ander probleem op. Door deze tamelijk forse loonsverhoging raakt de kersverse werknemer per jaar 660 gulden huursubsidie kwijt. Blijkens berekeningen van het ministerie van SZW moet de werkgever een brutoloon bieden dat twintig procent hoger is dan het wettelijk minimumloon om uitkeringontvangers in zo'n geval over de streep te trekken. Pas dan worden de beroepskosten en zwarigheden van de baan gecompenseerd terwijl bovendien de vermindering van de huursubsidie wordt goedgemaakt. De werkgever dient een nog aanzienlijk hoger bruto loon te bieden wanneer de vroegere uitkeringsontvanger tevens gebruik maakt van andere inkomensafhankelijke regelingen dan de huursubsidie, zoals de tegemoetkoming in de studiekosten van zijn kinderen.

Berekeningen in de Notitie inkomensbeleid 1991 illustreren de funeste werking van de armoedeval. Hoe hoger het inkomen nadat uitkeringsontvangers een baan hebben gevonden, hoe geringer hun aanspraak op inkomensafhankelijke subsidies van de overheid en hoe hoger vaak de verschuldigde eigen bijdragen zijn. Het resultaat is dat grote aantallen werkzoekenden er geen stuiver beter van worden wanneer zij de arbeidsmarkt betreden.

De ambtelijke schrijvers van de Notitie noemen het een probleem met een 'bijzonder delicaat karakter'. Hun boodschap is echter niet voor tweeerlei uitleg vatbaar. Allerlei met de meest sociale bedoelingen tot stand gebrachte regelingen werpen een dam op voor uitkeringsontvangers die overwegen tot de arbeidsmarkt toe te treden. Juist de doelgroep van het beleid dat is gericht op sociale vernieuwing en reactivering van werklozen, wordt vaak afgeschrikt door financiele drempels die werken uiterst onaantrekkelijk maken.

De gevolgen van deze analyse staan haaks op het linkse levensgevoel. Gemeenten moeten bij voorbeeld ophouden met allerlei regelingen voor de echte minima, die de armoedeval alleen maar dieper maken. Wanneer minima met een uitkering zulke lokale extraatjes verliezen als ze iets meer dan hun uitkering gaan verdienen, kost het hen nog meer moeite om uit de valkuil van de armoede te klauteren.

Echte sociale vernieuwing vraagt om herstel van financiele prikkels op het grondvlak van de inkomenspiramide, houdt minister De Vries zijn PvdA-collega's in het kabinet voor. Het is een van de paradoxen waarmee het derde kabinet-Lubbers worstelt: 'asociale' bezuinigingen op huursubsidie en andere van het inkomen afhankelijke tegemoetkomingen van de overheid zijn goed voor de sociale vernieuwing.