Voorbarig optimisme?

'Crisis in de Golf stimuleert Europese politieke ontwikkeling', stond er boven een interessante analyse in de krant van zaterdag. 'De aspiraties van Saddam Hussein hebben de laatste zes weken als katalysator gewerkt op de verdieping van de samenwerking tussen de Twaalf (van de Europese Gemeenschap), en dan vooral waar het gaat om integratie van de buitenlandse politiek.' Zou het waar zijn? Op het eerste gezicht wel, want de Twaalf besloten vorige week het militaire personeel van de Iraakse ambassades in hun hoofdsteden uit te wijzen en de vrijheden van andere Iraakse diplomaten te beperken als vergelding voor invallen van Iraakse troepen in Europese ambassades in Koeweit.

En een dag later besloten dezelfde landen maar nu minus Denemarken, Griekenland en Ierland de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op te roepen een luchtblokkade tegen Irak in te stellen. (Dat de genoemde drie landen niet achter dit besluit stonden, had te maken met het feit dat ze geen lid zijn van het gezelschap de Westeuropese Unie dat dit besluit nam.)Zeker, een indrukwekkend resultaat, gezien de uiteenlopende belangen en inzichten die doorgaans de Twaalf verhinderen snel een lijn te trekken. Maar rechtvaardigt het de euforie van de diplomatieke waarnemers die in de analyse van zaterdag geciteerd werden? Misschien dat de scepsis waarop dit optimisme bij mij stuitte, gevoed was door een andere analyse, die ik zojuist in de Frankfurter Allgemeine Zeitung ook van zaterdag gelezen had. Die had weliswaar niet de besluitvorming van de Europese Twaalf tot onderwerp, maar de Frans-Duitse samenwerking. Daar deze echter algemeen als motor van de Europese samenwerking wordt beschouwd, is het gerechtigd beide analyses tegenover elkaar te leggen.

Aanleiding voor de analyse in de FAZ was de Frans-Duitse top die, eveneens vorige week, in Munchen plaatshad. Het Franse dagblad Le Monde had al gemeld dat de Fransen er in een zure stemming naar toe waren gegaan. President Mitterrand had zijn gasten zijn 'bittere gelukwensen' met de Duitse eenheid doen toekomen. Inderdaad zit die eenheid de Fransen nog altijd dwars en lijkt die hen tot een herziening van hun Europese politiek te leiden.

Dat laatste hadden we al kunnen opmaken uit de verklaring van Mitterrand, begin juli, dat de logica het vertrek van de Franse troepen uit Duitsland eiste, zodra de eenheid een feit zou zijn. Dat kwam voor de Duitsers als een koude douche, want die hadden zich juist een innigere Frans-Duitse samenwerking op veiligheidsgebied voorgesteld, als logisch gevolg van en, in de praktijk, voorwaarde voor een innige Europese samenwerking.

Geen wonder dus dat de Munchense top, wat dit betreft, een 'flop' werd, zoals de FAZ, een ongenoemde bron citerend, schreef. Alle Duitse voorstellen (op een na) voor een nauwere samenwerking op veiligheidsgebied werden door de Fransen afgewezen. Over een gemeenschappelijk strategisch concept volgens de Duitsers het centrale thema werd zelfs helemaal niet gesproken.

Ook meer praktische ideeen, zoals het voorstel regelmatig officieren bij elkaars troepen te detacheren, stuitten op een Frans neen. Blijkbaar wensen de Fransen hun Duitse partners geen dieper inzicht te geven in hun denken. Bovendien zouden ze het zelfstandige denken van Duitse officieren duchten. Als dat zo is, dan zijn de rollen wel omgedraaid! Kadavergehorsam was immers altijd als een Duitse specialiteit beschouwd geweest? Van de vorming van een Frans-Duits legerkorps, dat de Duitsers graag hadden gezien, zal nu wel niets komen, en de Frans-Duitse brigade, die al enige jaren bestaat, komt nu zonder operatieve opdracht en zonder gemeenschappelijk strategisch concept helemaal in de lucht te hangen. Een Duitse commentator had die brigade trouwens al een 'mengsel van folklore en Berlitzschool' genoemd. 'Hoe sterk de Franse reserves tegen gemeenschappelijke veiligheidspolitieke activiteiten na de Duitse eenwording zijn geworden, bleek zelfs bij de bespreking van het Duitse voorstel de helikopterpiloten van beide strijdkrachten gemeenschappelijk op te leiden', schrijft de FAZ. Dit voorstel werd aangenomen, maar op voorwaarde dat de opleiding in Duitsland zou geschieden. De Fransen vermoedden namelijk achter dit voorstel de bedoeling 'lawaai te exporteren'. Ook al zal er ongetwijfeld een andere Franse versie van dit verhaal bestaan, het feit dat er aan Duitse zijde zo over de vooruitzichten van een Frans-Duitse samenwerking op veiligheidsgebied wordt gesproken, spreekt op zichzelf al boekdelen. De sfeer is kennelijk door wiens schuld dan ook grondig bedorven.

Op zichzelf is er niets verrassends aan de Franse onwil zich sterk aan anderen te binden zonder garantie de eerste viool te kunnen spelen, en in een militaire samenwerking met 80 miljoen Duitsers zal het voor Frankrijk, met zijn 50 miljoen inwoners, moeilijk zijn de eerste viool te spelen zelfs met zijn kernwapens.

Die Franse huivering is dus niets nieuws, maar zij betekent wel dat de integratie van de buitenlandse politiek van de twaalf Europese staten, die plotseling weer kansen lijkt te hebben gekregen, haar grenzen heeft. Wat is immers een gemeenschappelijke buitenlandse politiek zonder het instrument van een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid? En een gemeenschappelijk Europees veiligheidsbleid komt niet van de grond wanneer de Fransen en Duitsers het er niet over eens worden.

    • J. L. Heldring
    • Dezer Dagen