Van der Linden lichtte de Kamer onjuist in overpaspoortproject

DEN HAAG, 25 sept. De kandidaat voor het staatssecretariaat Landbouw, natuurbeheer en Visserij, drs. R. P. H. M. van der Linden (CDA), heeft tussen 1986 en 1988 als staatssecretaris voor buitenlandse zaken de Kamer op verschillende punten onjuist en onvolledig ingelicht. De parlementaire enquetecommissie paspoortproject stelde dit eind augustus 1988 vast. Van der Linden trad op 10 september af. In een brief aan de premier gaf hij toen als reden op dat er 'buiten-proportionele en ongegronde kritiek' op zijn persoon was gekomen waardoor zijn integriteit zou zijn aangetast. Toenmalig CDA-fractievoorzitter De Vries had Van der Linden te verstaan gegeven dat er in zijn fractie waarschijnlijk onvoldoende politieke steun voor zijn beleid zou zijn. Ook minister van defensie W. van Eekelen (VVD), als staatssecretaris onder het eerste kabinet Lubbers verantwoordelijk voor het paspoortproject, trad af. Het aftreden van beide bewindslieden werd destijds gezien als een poging van de toenmalige coalitiegenoten om de angel uit het parlementaire debat over het enqueterapport te halen. Minister Van den Broek (buitenlandse zaken), de politiek hoofdverantwoordelijke, overleefde dit debat onder meer door te erkennen dat het paspoortproject 'beter had gekund en beter had gemoeten'. De enquetecommissie kwam met een tiental voorbeelden waarin Van der Linden de Tweede Kamer onjuist of onvolledig had ingelicht. Van der Linden verzuimde onder meer de Kamer tijdig te vertellen dat Kodak niet langer deelnam aan het project. Op 13 februari 1987 schreef hij de Kamer dat het paspoort was getest door 'onafhankelijke deskundigen'.

Dit bleek later een van zijn ambtenaren. Op 18 januari 1988 schreef hij dat het paspoort door de Amerikaanse immigratiedienst met zeer gunstige resultaten was getest. In werkelijkheid ging het om een niet-produktierijp prototype en had de immigratiedienst vergaande aanbevelingen gedaan om de kaart te verbeteren. Begin april zei Van der Linden de Kamer dat de samenwerking tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, paspoortproducent KEP en zijn ministerie rimpelloos verliep. Dit bleek achteraf onjuist. Het gehele project en de wijze waarop de politiek er destijds leiding aan gaf, karakteriseerde de enquetecommissie als gebrekkig, chaotisch, onvoldoende en nalatig. Van der Linden maakte er bij zijn aftreden, waartegen hij zich tot het laatst intern verzette, geen geheim van dat hij zich persoonlijk beschadigd achtte door het parlement. In een schriftelijk verweer op 6 september aan de Kamer erkende hij alleen 'op een enkel punt meer precieze informatie' te hebben kunnen geven. Van Premier Lubbers kreeg hij steun voor zijn gekwetste houding. Lubbers schreef de Kamer over het ontslag van de volgens hem 'energieke, eerlijke en uitstekend functionerende' staatssecretaris, niet te weten 'wat hem persoonlijk te verwijten valt'.

Lubbers zei toen 'verontrust' te zijn over de 'geur van oneerlijkheid' die er volgens hem rond dit ontslag was komen te hangen. Eind november 1988 mocht Van der Linden terugkeren in de Kamer, waar hij sindsdien lijkt te wachten tot de politieke schuld die het CDA aan hem heeft, wordt ingelost. Dit voorjaar meldde hij zich, naar eigen zeggen met instemming van de CDA-top, voor de vacature van Commissaris van de Koningin in Limburg. Dat liep echter stuk op verdeeldheid in het (Limburgse) CDA en tegenstand bij de PvdA. Bij de PvdA zag men in hem een typisch vertegenwoordiger van het CDA-establishment die onvoldoende boven de partijen zou staan. Binnen het CDA was hij enerzijds populair als 'onze Rene', die vanuit zijn woonplaats Nuth zo dicht mogelijk bij de kiezer probeerde te staan. Anderen herinnerden zich vooral de jonge Van der Linden die zich niet had ontzien hard tegen de schenen van het toenmalige KVP-establishment te schoppen.