Uit het veld

Maandblad Geestelijke volksgezondheid. Dubbelnummer 7/8-90, prijs fl.15, - Abonnementen (Bosch en Keunig, Baarn) fl.72, - (studenten f. 57, -). Uitgave Nederlands centrum Geestelijke volksgezondheid (NcGv)

Utrecht

Een bejaarde vrouw, die totaal vervuild door de stad zwerft, vuilnis verzamelt en zich in haar eveneens sterk vervuilde woning in volstrekte eenzaamheid verbergt. Haar overmatig alcoholdrinkende man is pas vier dagen eerder dood in de woning aangetroffen, maar moet, gezien de staat van ontbinding waarin het lijk verkeert al meer dan een week dood zijn geweest. RIAGG, huisarts, gezinshulp, wijkverpleging, maatschappelijk werk, politie en buurtwerk worden ingeschakeld om de vrouw te helpen weer enigszins voor zichzelf te zorgen en deel te laten nemen aan het sociale leven.

Een 16-jarige jongen komt trouw naar therapie, praat daar vrolijk over school, vrienden, surfen, soms over zijn moeder en stiefvader, maar weigert zelfs maar een woord te zeggen over zijn zware hoofdpijnen, over de mishandeling en vernedering door zijn vader, over de heftige ruzies met zijn stiefvader en zijn oudere zus en wuift alle verwijzingen naar conflicten luchtig weg. De meest recente aflevering van het MGv is geen doorsneenummer. De bijdragen bevatten deze keer niet, zoals gebruikelijk, analyses van en discusies over het werk in de geestelijke gezondheidszorg van min of meer theoretische aard, maar alle kolommen zijn gevuld met direkte praktijkervaringen van 'werkers in het veld'. Het nummer bestaat uit een selectie van stukken die na een oproep van de redactie om in een of enkele bladzijden iets over het eigen werk te vertellen binnenkwamen. Uit de tachtig inzendingen koos de redactie er vijftig die zij 'concreet, begrijpelijk en persoonlijk' en 'interessant om te lezen' vond.

Hoe breed het veld van de geestelijke gezondheidszorg is, blijkt wel uit de gevarieerde beroepsachtergrond van de inzenders: tien psychiaters, negen maatschappelijk werkers, zeven psychologen, zes artsen, zes sociaal-psychiatrische verpleegkundigen, vier vrijwilligers, twee andragogen, een inrichtingswerker, een muziektherapeute, een studente HBO bejaardenwelzijnswerk, een praktijkbegeleidster. Het blijkt ook uit de diversiteit aan instellingen en sectoren waar zij werkzaam zijn: psychiatrische ziekenhuizen en klinieken, RIAGG's verpleeghuizen, instellingen van maatschappelijk werk, reclassering, drugshulpverlening, kinderbescherming, telefonische hulpdiensten, daklozenzorg en daarnaast de vrij gevestigde huisartsen, psychologen en psychiaters en psychotherapeuten.

De inzendingen zijn ook heel verschillend van inhoud. Sommige bevatten een beschrijving van een of meer clienten, zoals het indringende portret van de joodse ouders van de zwakzinnige Hannah, de observatie van een aantal problematische adolescenten of het verhaal van de moeder van een jonge schizofrene zwerver. Andere bijdragen gaan meer direkt over de hulpverlening zelf.

Opvallend in die beschrijvingen is de grote bescheidenheid die de hulpverleners aan de dag leggen. Mislukkingen komen zeker niet minder aan de orde dan sucessen: een client die zelfmoord pleegt, drugsgebruikers die het programma verlaten, patienten die weer terugvallen. Ook de successen worden trouwens weinig spectaculair naar voren gebracht: een klein stapje vooruit, een redelijk normaal leven, geen grote crises meer, een medicijn dat enige verlichting brengt.

Deze bescheidenheid komt ook tot uitdrukking in de afstandelijke manier waarop veel schrijvers naar hun eigen werk kijken. Geen grote woorden, maar een enigszins ironische toon waarmee het eigen optreden en de eigen mogelijkheden worden gerelativeerd. Het gebruik van jargon, waarvan hulpverleners zo vaak beschuldigd worden, ontbreekt in deze stukken vrijwel volledig. Een enkele keer komen we een client tegen die geen 'reguliere zorgkaders aangaat' of die 'steunend en bemoedigend contact' nodig heeft, een enkeling hanteert een aantal psychiatrische termen (decompositie in de involutieperiode) maar dit zijn uitzonderingen. De hier schrijvende hulpverleners weten in eenvoudige en direkte taal over te brengen wat ze doen, welke problemen ze tegenkomen en vooral hoe 'vreselijk zwaar' het werk is.

Van die zwaarte van het werk raakt de lezer meer dan overtuigd. Als je de hoeveelheid en ernst van de problemen leest vraag je je zelfs af hoe het mogelijk is dat hulpverlening uberhaupt ooit wel eens lukt, en mijn bewondering voor mensen die dit werk met inzet blijven doen, werd bij het lezen van de verschillende bijdragen in elk geval groter.

De vijftig schrijvers in dit nummer van het MGv zijn zeker niet representatief voor de hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg in het algemeen. De autoritaire psychiaters die weten wat goed is voor hun clienten, ontbreken, evenals de medici die alle heil verwachten van medicijnen, de maatschappelijk werkers die de schuld van alles bij de maatschappij leggen en alle anderen die pedant en gewichtig hun deskundigheid ten toon spreiden. Zulke hulpverleners zijn er beslist ook. Dat zij hun ervaringen niet hebben ingezonden (of niet door de redactie zijn uitgekozen?) en dus in deze aflevering van het MGv niet aan het woord komen is jammer, omdat ons beeld van hulpverleners nu wellicht wat te positief gekleurd wordt.