Slag bij Borssele bezorgt ME'ers stress

AMSTERDAM, 25 sept. De agenten was verzocht 'de-escalerend' op te treden. Maar bij de blokkade van de kerncentrale Borssele in 1987 was geen rekening gehouden met de aanwezigheid van een groep van tweehonderd 'autonomen'. De blokkade liep uit op een bloedige veldslag. De ME'ers waren volledig in verwarring gebracht, de leiding bleek niet in staat het ME-optreden naar behoren te coordineren en uiteindelijk dreven de autonomen een compleet peloton ME'ers in het nauw. Zeven demonstranten en zesenvijftig ME'ers werden gewond afgevoerd. De meeste politiemensen blijken geruime tijd psychische problemen te hebben ondervonden van 'de slag bij Borssele'. F. Vlek, onderzoekscoordinator bij de directie politie van het ministerie van binnenlandse zaken, verrichtte vorig jaar in samenwerking met het Instituut voor Psychotrauma onderzoek naar de ervaringen van de ME'ers die bij Borssele werden ingezet. Vlek is een van de organisatoren van een conferentie over traumatische stress die deze week onder auspicien van het Informatie Coordinatie Orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO) in Noordwijkerhout wordt gehouden. Morgen staat traumatische stress bij de politie centraal.

Drieenveertig agenten van 'de slag bij Borssele' namen onder leiding van een psychotherapeut deel aan een serie groepsgesprekken. Ruim 30 procent van de deelnemers aan het onderzoek had in eerste instantie zelf hulp gezocht, onder meer bij artsen, psychiaters en maatschappelijk werkers. De geenqueteerde ME'ers hadden twee jaar na dato hun problemen grotendeels verwerkt, maar zeven van hen zouden volgens de gepreksleiders alsnog baat kunnen vinden bij individuele therapie. Tijdens de groepsgesprekken kwamen heftige emoties naar boven. Een agent: 'Ik ben hele stukken van Borssele kwijt. Ik zie nog wel kerels met lantaarnpalen slepen'.

Een van zijn collega's herinnert zich dat hij volledig over zijn toeren raakte: 'Ik dacht 'de eerste die ik te pakken krijg, schiet ik voor zijn kop' en ik had het nog gedaan ook.' Op grond van Amerikaans onderzoek is vastgesteld dat politieagenten in hun loopbaan een grote kans lopen met maar liefst 37 verschillende soorten dramatische gebeurtenissen te worden geconfronteerd. De meest traumatische daarvan zijn schietpartijen. In 1985 hield prof. dr. B. Gersons, hoogleraar in de sociale psychiatrie aan de universiteit van Utrecht en gespecialiseerd in de behandeling van het zogenoemde post-traumatisch stress syndroom, een enquete onder 37 Amsterdamse agenten die tussen 1977 en 1984 betrokken waren bij schietpartijen waarbij doden of gewonden vielen. Op drie agenten na bleken allen nadien vrij ernstige psychische klachten te hebben. Volgens Gersons zijn daarbij drie syndromen te onderscheiden. Een deel van de agenten bleef steeds aan de schietpartij terugdenken. Ze hadden het gevoel alsof de kogels elk moment weer in het rond konden vliegen. Anderen toonden 'verwijderingsgedrag'. Ze wilden niet meer over het incident spreken, hun gevoelsituatie veranderde en ze vertoonden tekenen van een depressie. Een derde groep ontwikkelde een verhoogde waakzaamheid, raakte snel geirriteerd en leed aan slaapstoornissen.

Prof. Gersons probeert agenten met psychische problemen te genezen door hen allereerst in een ontspannen toestand te brengen. Vervolgens tracht hij hen het incident opnieuw te laten beleven. Gersons: 'Dan komt er meestal een intens gevoel van machteloosheid naar boven, gevolgd door een gigantische woede. Wat uiteindelijk overbljft is verdriet. Die agenten worden soms voor het eerst in hun leven met zichzelf geconfronteerd.' Een groot probleem in het voorkomen van stress bij politieagenten is de mentaliteit binnen de korpsen. Vlek spreekt over 'een dominante flinkheidscultuur' die er toe leidt dat agenten geneigd zijn hun emoties te verdringen. 'Het uiten van gevoelens wordt bij de politie vaak beschouwd als een teken van zwakte en dus van ongeschiktheid voor het beroep', aldus Vlek. Hij stelt dat agenten jaarlijks honderden stressgevoelige ervaringen opdoen, 'die allemaal worden weggestopt'.

Kenmerkend voor de politiecultuur is het maken van cyische grappen over ernstige gebeurtenissen. Volgens Vlek is het nog maar al te vaak zo dat de korpsleiding psychische problemen niet als een beroepsrisico ervaart, maar als een persoonlijk falen van de desbetreffende agent.

Vlek verrichtte onderzoek naar de ervaringen van een groep willekeurig gekozen agenen die tijdens hun beroepsuitoefening gewond waren geraakt en daarna het korps hadden verlaten. Hij kwam daarbij op het spoor van een agent die inmiddels bij een beveiligingsbedrijf werkt. Deze man werd direct na het afronden van zijn opleiding aan de politieschool als ME'er ingezet tijdens krakersrellen in Amsterdam. Bij zijn eerste optreden kreeg hij een kei op zijn been, waarna hij zwaar gewond werd afgevoerd. Het genezingsproces vergde enkele maanden. In die periode hoorde hij in het geheel niets van zijn korps.

Bij zijn volgende optreden als ME'er werd hij door een steen in zijn gezicht getroffen. Met zijn tanden in zijn hand slaagde hij er ternauwernood in de ontkomen. Het duurde zes maanden voordat zijn kaak en gebit volledig waren gerestaureerd. Na zijn terugkeer in het korps voelde hij zich onzeker. Wegens 'niet optimaal functioneren' werd hij ontslagen.

Een ander voorbeeld betreft een Amsterdamse politieman. Hij krijgt tijdens een patrouille via zijn mobilofoon het bericht door dat hij op moet letten: een bankovervaller heeft zich met zijn buit uit de voeten gemaakt en bevindt zich mogelijk in de buurt. Even later krijgen de agent en zijn collega de man in de gaten. Een wilde achtervolging volgt. De actie heeft in een moordend tempo plaats en resulteert in een botsing, gevolgd door een schotenwisseling. De agent raakt de bankovervaller in zijn hals. De agent heeft zijn taak gedaan, maar de beelden van de schietpartij en van de bloedende slagader zullen hem niet meer loslaten. Hij krijgt last van slaapstoornissen en voelt zich leeg. Tijdens zijn werk is hij bang en onzeker. Hij probeert zoveel mogelijk bureauwerk te doen, aangezien hij eigenlijk niet meer goed de straat op durft. Uiteindelijk meldt hij zich ziek. Inmiddels is de agent weer genezen, na een therapie bij Gersons.

Traumatische stress treedt niet uitsluitend op na dramatische gebeurtenissen als schietpartijen, gijzelingen of rellen. Ook in de alledaagse praktijk kunnen agenten te maken krijgen met dood of geweld. Gersons: 'Ze moeten de rotzooi opruimen als iemand van een flatgebouw is gesprongen of ze arriveren als eersten bij een verkeersongeluk met doden en gewonden. Een aaneenschakeling van dit soort ervaringen kan uiteindelijk tot een 'burn-out' leiden. Dan is dat ene overreden kind net te veel.' De tot nu toe in Nederland gehouden onderzoeken waren vooral gericht op het in kaart brengen van de ervaringen van agenten met een traumatisch stress-syndroom. Momenteel wordt een grote groep agenten van de korpsen van de vier grote steden en van de rijkspolitie stelselmatig in hun werk gevolgd om te zien in welke mate zich bij hen traumatische stress ontwikkelt.

Volgens onderzoekscoordinator Vlek is er de laatste tijd sprake van een omslag in de Nederlandse politiecultuur. 'Langzamerhand groeit het besef dat aan het politiewerk ook psychische risico's zijn verbonden, maar dat je daar wel iets aan kunt doen.'

Zo worden gewonde agenten tegenwoordig begeleid en krijgen ze veelal een bloemetje van de burgemeester.

    • Alfred van Cleef