'Positieve actie helpt zwarte armen niet'; Socioloog William J. Wilson over de onderklasse in de VS en Europa

Een groot aantal burgers in West-Europa en Noord-Amerika deelt niet mee in toenemende welvaart. Zij zijn vaak niet alleen langdurig werkloos, maar ook kansloos. In de Verenigde Staten werd de discussie over deze categorie tot voor kort gedomineerd door conservatieve auteurs. Hun stelling is dat armen arm zijn doordat ze niet de juiste mentaliteit hebben; ze grijpen de hun geboden kansen niet. Die berustende houding zou worden veroorzaakt door het niveau van de sociale voorzieningen.

Met de publikatie van het boek The Truly Disadvantaged van William Julius Wilson kreeg die discussie een nieuwe impuls van links. Wilson, hoogleraar sociologie in Chicago, betoogt dat er een onderklasse is ontstaan in de binnenstadsgetto's door de ingrijpende veranderingen die de economie de afgelopen twintig jaar heeft doorgemaakt. Wilson fungeert als brandpunt van het huidige debat over armoe in de Amerikaanse binnensteden: hij ligt niet alleen onder vuur van conservatieve zijde, maar ook van de progressieve zwarte gemeenschap waaruit hij zelf afkomstig is. Zijn stelling dat discriminatie een ondergeschikte rol speelt bij het ontstaan van de zwarte onderklasse in de binnensteden en dat positieve actie-programma's zwarte armen nauwelijks helpen, druist lijnrecht in tegen de gangbare gedachten van veel zwarte leiders.

Centraal in Wilsons analyse staat het begrip onderklasse: mensen die een zwakke band hebben met de arbeidsmarkt en in een buurt wonen die hun marginale positie bestendigt. In de Verenigde Staten wonen veel zwarte armen in buurten met een hoge concentratie aan armoede: getto's.

Heeft het begrip onderklasse ook enige waarde in Europa?' Voor zover ik tot nog toe heb begrepen wonen werklozen in bijvoorbeeld Nederland niet in afgescheiden buurten. Daarom is aan de tweede voorwaarde voor de term onderklasse niet voldaan. Ik denk dat het erg goed is dat jullie niet van die afgescheiden enclaves hebben. Mensen isoleren van de hoofdstroom van de samenleving schept op de lange duur problemen.' In een seminar in Leiden kwam Wilson op dit punt terug toen enkele resultaten van Nederlands armoede-onderzoek onder zijn aandacht waren gebracht: ' Ik dacht dat het begrip onderklasse in Nederland niet van toepassing was, omdat hier het buurteffect ontbreekt. Maar ik krijg de indruk dat de regelingen van de sociale zekerheid hier min of meer dezelfde rol kunnen vervullen. Daarom denk ik nu dat buurt een dimensie is van een breder concept: sociaal milieu. In de Verenigde Staten is buurt hiervan de dominante dimensie, maar in meer ontwikkelde verzorgingstaten kan dat ook een stelsel van sociale zekerheidsregels zijn. Zo zie je wat het nut is van vergelijkend onderzoek.' Hoe verklaart u het ontstaan van een onderklasse?' Zonder de historische discriminatie en de segregatie zou er geen groep mensen gescheiden naar ras in de binnensteden wonen en die historische segregatie is er ook de oorzaak van dat deze bevolkingsgroepen zijn geconcentreerd in bepaalde sectoren van de economie. De laatste paar decennia is er in Amerika een enorme groei opgetreden in het aantal banen in de beter betaalde, witteboorden dienstensector. Veel zwarten hebben hier werk gevonden. Tegelijk krimpen andere sectoren van de economie, zoals de industrie. En een aanzienlijk aantal zwarten is daar hun baan kwijtgeraakt.' Neem New York City. De werkgelegenheid voor zwarten in de industrie daalde er tussen 1970 en 1986 met 84.000 arbeidsplaatsen. Daarentegen nam de zwarte werkgelegenheid in het openbaar bestuur, de professionele diensten en industrieen met veel hoger opgeleiden toe met 104.000. De goed opgeleide zwarten profiteerden van deze ontwikkeling, de slecht opgeleiden leden eronder. Burgerrechtwetten en positieve actie-programma's hebben vooral de goed opgeleide zwarten geholpen, maar degenen aan de onderkant niet. Terwijl dit gebeurde trokken zwarte gezinnen met hogere inkomens weg uit de getto's. Het gevolg is een almaar breder wordende kloof tussen de haves en de have nots in de zwarte gemeenschap.

Wat zijn de politieke consequenties hiervan?' Mogelijk gaat de zwarte gemeenschap ertoe neigen meer langs klasselijnen te stemmen. Er is al een klein maar groeiend aantal middenklasse zwarten die overstappen naar de Republikeinse partij. Het is duidelijk waarneembaar dat rond bepaalde onderwerpen, zoals rasse-incidenten, een scheidslijn ontstaat binnen de zwarte gemeenschap. Arme zwarten zijn veel minder bereid de rol van zwarten bij deze conflicten te erkennen dan middenklasse zwarten, die vaker bereid zijn zwarten en blanken te bekritiseren en de boosdoeners aan te wijzen ongeacht hun huidskleur.' Zwarte leiders zetten zich in voor de zwarte armen, maar helaas begrijpen ze de aard van de problemen niet helemaal. Als je zegt dat de toestand van binnenstadsbewoners slechter is geworden zijn ze geneigd te zeggen dat de discriminatie is toegenomen en daarom vragen ze om strengere toepassing van anti-discriminatiewetten. Dat is prima, maar het heeft niets met het probleem te maken. Als je morgen met een toverstaf zwaait en alle rassendiscriminatie en alle racisme in Amerika is verdwenen, zijn de problemen van de onderklasse er nog steeds. Het is alsof je twee boksers in een ring zet, de een goed getraind de ander niet, en tegen de scheidsrechter zegt dat hij niet mag discrimineren.'

Wat is het politieke potentieel van de onderklasse?

'Als de zwarten in Chicago massaal hun steun zouden opzeggen aan de democraten kunnen die de stad verliezen, en als ze de stad verliezen kunnen ze de staat Illinois verliezen, en dan kunnen ze de nationale verkiezingen verliezen. Het probleem is echter dat naarmate je meer in een achterstandspositie verkeert, je ook minder machtsbronnen hebt en moeilijker de gedisciplineerde, kritische organisatie kunt ontwikkelen die nodig is voor politieke macht. De enige mogelijkheid zou zijn als er een paar charismatische leiders opstaan uit deze buurten zelf. Maar daarvan zie ik geen tekenen. Het is dus zeer onwaarschijnlijk dat je een politiek georganiseerde onderklasse krijgt.' Het armoede-debat in de VS is de laatste vijftien jaar gedomineerd door conservatieve auteurs. Hoe verklaart u dat?' Aan het eind van de jaren zestig publiceerde Daniel Patrick Moynihan een rapport voor president Johnson over de toestand waarin zwarte gezinnen verkeerden. Hij betoogde dat het zwarte gezin in staat van crisis verkeerde en hij associeerde deze crisis met gebrek aan economische mogelijkheden. Het rapport werd zeer controversieel door de scheve interpretatie van de inhoud. Men kreeg in de discussie de indruk dat Moynihan de zwarte gezinnen de schuld in de schoenen schoof. Die discussie was zo scherp dat onderzoekers afkerig werden om over de gevoelige onderwerpen te schrijven die met de binnenstad te maken hadden, zoals criminaliteit, drugs, tienermoederschap en een-oudergezinnen.'

Zo'n twaalf jaar lang zijn liberale onderzoekers met een boog om deze onderwerpen heen gelopen. Ze waren bang voor racist te worden uitgemaakt: door andere liberalen, door radicalen en door minderheden; dat is de typische vrees van liberalen in Amerika. Dat liet het veld open voor conservatieve analytici. Zij kwamen met begrippen als armoedecultuur om de groeiende problemen in de binnenstad te verklaren. ' Ik verkeer in een unieke positie: ik ben een zwarte onderzoeker, en daarom kon ik de liberalen ertoe aanzetten weer aan het debat deel te nemen. Een blanke onderzoeker had dat niet kunnen doen.' Op dit terrein is een duidelijke relatie tussen de politieke opvattingen van auteurs en het soort onderzoek dat ze doen.' Er is een duidelijke relatie tussen hun politieke opvattingen en de vragen die ze opwerpen. Maar serieuze onderzoekers laten hun gegevens spreken, ook al beinvloeden hun politieke opvattingen hun vraagstellingen en hun beleidssuggesties. Mijn politieke opvattingen beinvloeden mijn vraagstellingen ook. Ik stel dat we te maken hebben met brede maatschappelijke problemen, met werkloosheid en dergelijke. Als ik bewijzen had gevonden die deze visie tegenspraken had ik die gerapporteerd. Aan de andere kant heb je onderzoekers, 'intellectuelen', die geen serieuze wetenschap bedrijven, maar eigenlijk politici zijn, zoals de conservatieve politicoloog Charles Murray. Hij zou resultaten die zijn visie tegenspraken niet systematisch rapporteren. Dat geloof ik echt.' Als de vragen zo sterk samenhangen met de politieke denkbeelden, is het soort onderzoek dat gedaan kan worden dan niet afhankelijk van het politieke klimaat?

' Dat is zeker het geval, vooral bij onderzoek dat door de overheid wordt gefinancierd. Wat echter nogal eens gebeurt, is dat onderzoekers vooral sociologen met conclusies komen die deze denkbeelden ondergraven. Een van de problemen waarmee sociologen te kampen hebben bij het financieren van hun onderzoek is dat ze voortdurend met conclusies aankomen die de regering in verlegenheid brengen.' Wat voor invloed heeft de publikatie van uw boek The Truly Disadvantaged gehad op het armoede-onderzoek?' Mijn boek heeft de termen van het debat veranderd. Dat hebben niet alleen onderzoekers me verteld, maar ook senatoren. Plotseling gingen mensen zeggen: we moeten naar andere dingen kijken dan het niveau van de sociale voorzieningen om deze problemen te verklaren.'

Er worden nu talloze onderzoeken gedaan met mijn hypotheses. Niet alleen door sociologen, maar ook door politicologen, economen, antropologen en historici. Ik ben erg blij dat ze nu met resultaten komen die mijn stellingen bevestigen en versterken. Charles Murray stelt bijvoorbeeld dat zwarten uit de onderklasse door hun cultuur niet zullen reageren op verbeteringen in hun situatie. De econoom Richard Freeman van Harvard vond dat het percentage van de minst bevoorrechte zwarten dat werkte in perioden van economisch herstel sterk toenam. Maar in steden waar in 1987 slechts 3,7 procent van de hele beroepsbevolking werkloos was, nam het werkloosheidspercentage van jongeren uit achterstandsmilieus toe van 30 procent in 1983 tot 70 procent in 1987. Dit ondermijnt duidelijk Murrays stelling. Dat soort onderzoek wordt nu volop gedaan.' Hoe zou u de problemen van de Amerikaanse onderklasse oplossen?' Ik vind het erg belangrijk de kansen van jongeren te verbeteren, zodat we over twintig jaar niet meer over een onderklasse hoeven te praten in de Verenigde Staten. Ik pleit vooral voor grote hervormingen in het openbaar onderwijs. Tegelijk moet je iets doen aan de sociale isolatie van de binnensteden. Maar het probleem daarmee in Amerika is dat de blanken wegtrekken als er plotseling veel zwarten in een andere wijk komen wonen. Je moet ervoor zorgen dat zwarten die verhuizen uit de binnensteden worden verspreid over de stad. In Chicago werkt dat.' U pleit vooral voor algemene maatregelen, niet specifiek gericht op minderheden. Waarom?' Om echt wat te kunnen doen aan de problemen van de onderklasse moet je de blanken aanspreken, je hebt ras-neutrale maatregelen nodig. Bovendien voorkom je zo dat je de zwarte bevolking stigmatiseert.

U bent optimistisch over de kansen van jongeren, maar pessimistisch over die van ouderen in de binnensteden.' Ik heb het dan over mensen die tamelijk goed betaalde banen hebben gehad in de industrie, genoeg geld hebben verdiend om een huis te kopen en een auto. Plotseling stonden ze op straat doordat veel fabrieken sloten. Ze zijn nu een jaar of vijftig, zestig en komen nu niet meer aan de slag door gebrek aan opleiding. Ik ben heel pessimistisch over de mogelijkheden hen om te scholen. Je kunt ze misschien helpen aan een laag betaalde baan in de dienstensector: concierge, bordenwasser of schoonmaker. Je zult hun inkomen moeten aanvullen, zodat ze niet in armoe hoeven te leven. Maar dat is zo ongeveer het beste dat we kunnen doen voor deze groep.'

Wat bedoelt u met het begrip 'gelijkheid van levenskansen' in uw boek?'

Als je nu naar de baby-afdeling van een ziekenhuis in de binnenstad gaat kun je aardig voorspellen wat er van die baby's terechtkomt als je wat gegevens hebt over woonomgeving en familieachtergrond. Ik wil het moeilijker te maken die uitkomst te voorspellen.' Een belangrijke factor om de mobiliteit van deze binnenstadsjongeren te vergroten is onderwijs. Op veel scholen in de binnensteden daalt de IQ-score van kinderen naarmate ze langer op school blijven. Ik ken een psychiater, James Comer, die een theorie heeft over de verbetering van leerprestaties van die kinderen. Hij heeft die toegepast op verscheidene binnenstadsscholen in New Haven, Connecticut. Hij nam drie scholen die bij leestesten als 21ste, 23ste en 24ste scoorden van de 24. Binnen vijf jaar waren die scholen tweede, derde en zesde. Dat bewijst dat het kan.' Ik geloof niet dat je alle verschillen kunt wegnemen die te maken hebben met klasse-achtergrond. Maar wat ik wil is de grote discrepanties verkleinen. Nu zijn de arme jongeren veroordeeld om levenslang proletarier te zijn.' U noemt zich sociaal-democraat. Sociaal-democraten in Europa kampen al enige jaren met een tanend geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Hoe komt het dat u zo optimistisch bent?' Dat geloof mag dan zijn afgenomen en jullie zullen hier best allerlei problemen hebben, maar als ik in dit land rondloop zie ik dat de kwaliteit van het leven voor de minst bevoorrechten hier veel beter is dan in Amerika. Het is een eye-opener voor mensen uit landen zonder sociaal-democratische traditie om hier eens rond te kijken.'

    • Dick van Eijk