Politici zijn vergeten dat welsprekendheid een deugd is

Heeft de dichtkunst een politieke functie? Is het van belang dat een politicus gevoel voor poezie heeft? Maakt hem dat tot een betere politicus? Vast en zeker.

Niet dat politici meer gedichten moeten lezen al is daar ook niets tegen. Het gaat om hun dagelijks werk: praten in commissies, praten voor zalen, praten in nota's, praten door de telefoon. Uit al dat gepraat en uit hun gebaren, hun mimiek, hun hebbelijkheden, zou moeten blijken dat zij zich ervan bewust zijn dat hun taal klinkt, goed of slecht. Dat hun zinnen lopen, wel of niet. Zij treden op voor een publiek en dat optreden kan een genoegen zijn om naar te luisteren en te kijken, of juist niet. Hun woordkeus doet er toe, hun stijl, hun anekdotes, hun grappen, hun ernst. Van tijd tot tijd zouden zij zich voor een denkbeeldige spiegel moeten zien staan alsof zij iemand anders waren.

De voorzitter van het land, premier Lubbers, gaf laatst een voorbeeld van hoe het niet moet. Hij was door de Katholieke Universiteit Nijmegen uitgenodigd het academisch jaar te openen. Wat kan een politicus zich voor mooiere gelegenheid wensen om zijn publiek te veroveren? Hij mag zelf zijn onderwerp kiezen, hij mag de kansel op, hij kan er op rekenen dat via televisie en krant iedereen meeluistert.

Wat deed Lubbers? Waarover praatte hij? Wat wilde hij? 'Meer cellen, hogere boetes', stond er mooi ironisch boven het commentaar in deze krant. Minder uitkeringen, harder werken. Ken uw plichten. Nederland is ziek. Crisistaal en dat op een moment dat er in het land in de verste verte geen crisis te bekennen valt. Afkeer van luie immigranten en afkeer van hardrijders en fietsendieven, dat waren de volkssentimenten waar de minister-president bij aansloot. Hij had het over de overheid en de bedrijven die onproduktieve werknemers 'liever kwijt dan rijk' zijn. Hij beschuldigde de gemeenten van een 'overkill' aan voorlichting over uitkeringen. En dan dat woord 'ziek' dat iedereen gulzig van hem overnam alsof er met die beeldspraak van 'ziek' en 'gezond', voor een staat, een volk, niets verdachts aan de hand is.

Beheerste passie

Het gebied dat dichtkunst en politiek met elkaar gemeen hebben, heeft een naam: retorica. Eeuwenlang was dat een verplicht schoolvak, sinds betrekkelijk kort is het uit het programma verdwenen. Nog altijd denken de meeste mensen bij retoriek aan holle retoriek, aan kunstgrepen, trucjes, schijnheiligheid, of aan de krullen en frasen van de feestredenaar. Dat is jammer, want welsprekendheid hoort bij de deugden, zowel in het publieke leven als in het particuliere. Niet, uiteraard, de loze retoriek, maar de gemeende, de bezielde. Eerst komt de passie, daarna de vorm die de passie stileert. Stileren betekent handelbaar maken, acceptabel, beschaafd, maar ook, van tijd tot tijd, als daar aanleiding toe is, groots en meeslepend.

De geest gaat boven het lichaam dat wil ik eigenlijk alleen maar zeggen. Bij armoede, gevangenschap, doodsdreiging en pijn is het wel eens moeilijk die zekerheid vast te houden. Maar wie de waarde van de geest vergeet of verwaarloost in tijden van welvaart, vrede en vrijheid, is een beklagenswaardige idioot. Een paradijsbederver. Een zondaar tegen de heilige geest. De koningin zei in de troonrede: 'Gemeenschapsvoorzieningen ontlenen hun betekenis aan sociale en economische motieven'.

Die zin maakt de filosofie van dit kabinet voor iedereen zichtbaar, in haar volle kaalheid. Het woord 'sociale' zal wel van Kok afkomstig zijn, het woord 'economische' van Lubbers. Wat zij kennelijk allebei niet van belang vinden om in zo'n principiele uitspraak vast te leggen is het derde soort motieven waar gemeenschapsvoorzieningen hun betekenis aan ontlenen: de culturele. Een even algemeen en daardoor nietszeggend woord als 'sociaal' en 'economisch', ik weet het, maar het wordt veelzeggend als het ontbreekt.

Twee regels

Er is niemand in het kabinet die de indruk maakt wel eens aan wat anders te denken dan aan het sociale en het economische. Geld en arbeid, arbeid en geld alsof daar onze ziel en zaligheid van afhangen. Soms lijkt het of de ministers hebben afgesproken zich bij alles wat ze zeggen aan twee regels te houden: 'hoe saaier, hoe mooier' en 'hoe zorgelijker, hoe beter'. Dat is het retorische credo van 1990. Niet alleen van de ministers trouwens, ook van de Kamers, de maatschappelijke organisaties, de pers. Iedereen steekt elkaar aan. Iedereen ziet bezwaren en gevaren.

Althans iedereen die in het openbaar zijn mond opendoet. Als de mensen hun persoonlijke mening geven dat blijkt uit het Sociaal en Cultureel Rapport 1990 zijn de geluiden veel minder pessimistisch. In 1989 dacht 90 procent van de ondervraagden dat de welvaart voorlopig wel zou aanhouden, en 92 procent dat de inkomens de komende tijd zouden stijgen of gelijk blijven; 93 procent vond dat de sociale uitkeringen moesten stijgen of gelijk blijven; 84 procent was tevreden of tamelijk tevreden over het eigen inkomen.

Wat wil men nog meer? Wordt het niet tijd om eindelijk eens wat te doen aan die zure, saaie, zorgelijke toon in de politiek die als een grauwe mistbank boven ons aller rijkdom hangt? Volgens een commentator in deze krant was 'de boodschap van het kabinet' in de begroting voor 1991: 'het is mooi geweest, het feest is voorbij'.

Waar haalt hij het vandaan? Het is waar dat de troonrede de traditie der publieke zorgelijkheid eer aandeed, maar als je naar de cijfers kijkt, is het toch grote onzin om te zeggen dat het feest voorbij is? We verdienen, verwacht men, allemaal evenveel als in het recordjaar 1990 en waarschijnlijk zelfs nog een half procent meer. De arbeidstijd per week die in Nederland al het laagst is van het Westen - wordt eerder korter dan langer. Dat kunnen we ons veroorloven, zonder dat de welvaart daalt. Ik zeg niet dat alle sociale en economische problemen schijnproblemen zijn, ik zeg alleen dat zij zich afspelen tegen een achtergrond van grote luxe.

Gouden tijd

Hoe leer je saaiheid af? Hoe richt je de aandacht op welsprekendheid, welluidendheid, vormgeving, stilering? Hoe celebreer je de gouden tijd waarin wij Westerlingen leven? Of zou het sociaal-economisch paradijs in Nederland alleen kunnen bestaan bij de gratie van saaiheid en zorgelijkheid? Het kan niet waar zijn.

    • K. L. Poll