Laten we hopen dat Christa Wolf de Nobelprijs krijgt

De Nederlandse progressieve christenen, die in de jaren zeventig en tachtig de 'dialoog christendom-marxisme' voerden, gingen daartoe meestal naar de DDR. Dat was een goede keus en niet alleen omdat de DDR, als enige van de landen van het 'reeel bestaande socialisme' niet een onoverkomelijk taalprobleem opleverde. Nee, de DDR was voor de beoogde dialoog ook bij uitstek geschikt, omdat er in dit land, als enige in Oost-Europa, nog intellectuelen en christenen bestonden die marxisme en socialisme serieus namen, voldoende om erover te kunnen discussieren. Wie anno 1980 in Hongarije, Polen of de Sovjet-Unie in een milieu van zichzelf respecterende intellectuelen kenbaar had gemaakt ernstig over het voor en tegen van 'hun' socialisme of marxisme te willenredetwisten, had zich daarmee vermoedelijk scherpe terechtwijzingen op de hals gehaald en bij volharding was hij als een soort van dorpsgek beschouwd. Dat het 'reeel bestaande socialisme' een mooie benaming was voor een autoritair, onproduktief economisch-sociaal-politiek stelsel, was sinds 1956 tot de intellectuelen van de betrokken landen schoksgewijs doorgedrongen. Met uitzondering van die in de DDR dus.

Vandaar dat zij de voornaamste, zoniet enige gesprekspartners waren voor veel Westerse intellectuelen, die uit de dynamiek van hun eigen geestesgeschiedenis nog wel iets zagen in het Oosteuropese 'socialisme', ook al omdat het streven naar 'vrede en ontspanning', zoals dat in de tweede helft van de jaren zeventig opgeld deed, een zekere erkenning van de toestand aan gene zijde van de Elbe impliceerde.

In alle andere Oosteuropese landen vonden de hierboven gememoreerde progressieve christenen bij de 'broodnodige dialoog' slechts een buitengewoon ergerlijk soort propagandisten /leugenaars tegenover zich. Ik zie nog die verwilderde blik voor mij van de IKV-functionaris, die in Moskou vele uren had verdaan 'in dialoog' met Joeri Zjoekov, voorzitter van het officiele Sovjet-vredescomite en een van de beruchtste antisemitische publicisten uit de jaren veertig in de Sovjet-Unie.

Idealistisch

Waarom bleef juist in Duitsland een deel van de intelligentsia zo idealistisch in het socialisme geloven? Zozeer, dat zelfs de omwenteling in de DDR zich vorig jaar in belangrijke mate voltrok dankzij intellectuelen die tot op zekere hoogte handelden in naam van socialistische idealen, die in weerwil van alle schijn voor hen toch een zekere geloofwaardigheid hadden behouden? Ik denk niet dat de verklaring die correspondent J. M. Bik in deze krant van 20 september gaf een afdoende verklaring vormt voor dit verschijnsel. Aan de hand van de, inmiddels omstreden, literaire coryfee bij uitstek van de DDR, Christa Wolf, spreekt hij van een 'geprivilegieerde literaire paradevrouw' en 'ivoren toren'.

Een pleidooi van een Nederlander voor Wolf ziet Bik als een uiting van 'nostalgische rouw om restanten van de DDR', waarachter afkeer van en angst voor de Duitse volkswil tot staatkundige eenheid schuilgaan. Dit laatste ben ik met hem eens, maar niet dat hun geprivilegieerde positie Wolf en andere vooraanstaande DDR-intellectuelen afkerig maakt van het Duitse verenigingsproces. Eerder lijkt hier een soort fataal idealisme in het spel te zijn, waarop de intellectuelen in de DDR, gezien de geschiedenis van de Nederlandse 'Vredesbeweging' geenszins het patent hebben. We hebben het over de grenzeloze trouw aan 'de idee', die de bard Wolf Biermann er in de jaren zeventig toe bracht in solidair-afkeurende zin te zingen over zijn vrienden die naar het Westen waren overgelopen. Dat Honecker en de zijnen Biermann, nadat hij zijn poetisch vermogen in 1979 in Keulen had tentoongespreid, naar de Bondsrepubliek verbanden, is zeker het zuiverste bewijs van de beperktheid hunner verstandelijke vermogens.

Iedereen kan zich vergissen. De dictators bekopen dat met machtsverlies, de intellectuelen met spotternij. Christa Wolf, Harry Mulisch, Maxim Gorki, Theun de Vries en Jean-Paul Sartre het is achteraf prettig citeren en ironiseren, en het is ook nodig om dat te doen. De meeste mensen bewaren hun ideologische dwaalwegen, vergissingen en verbrijzelde dromen voor de huiselijke kring of borreltafel, maar schrijvers zetten ze op papier.

Briljant verslag

Waarom nu juist Christa Wolfs laatste boek Was bleibt wordt aangeroepen als bewijs van haar politieke verdorvenheid is mij volstrekt een raadsel. Het gaat om een naar mijn smaak nogal briljant verslag over wat iemand voelt, wier gangen door een politieke politie worden nagegaan. Niet bepaald heroisch is natuurlijk, dat de schrijfster tien jaar heeft gewacht voordat zij het relaas nota bene in opnieuw geredigeerde vorm aan de openbaarheid heeft prijsgegeven. Maar het komt me voor, dat Was bleibt, juist door het weinig heroisch karakter van de tekst, moet worden gelezen als een zelfkritische tekst, en wel van een kaliber, dat Mulisch en De Vries ons tot op de huidige dag hebben onthouden.

Christa Wolf heeft zich, sinds de verschijning van Was bleibt onthouden van commentaar, zowel op de over haar persoon ontstane discussie als op de politieke situatie in wat nu nog de DDR is. In tegenstelling tot Bik zou ik echter wensen dat ze zich wel uitsprak en stiekem hoop ik dat haar oordeel over die ontwikkeling sterk afkeurend zal zijn.

Want wat zich hier in Oost-Duitsland voltrekt, is geen mooi gezicht. Een volk van zestien miljoen laat zich met mooie praatjes verleiden tot de aansluiting bij een gebied waar men, in taalkundig opzicht, dezelfde taal spreekt. Die aansluiting wordt voltrokken door een gezelschap opportunisten en domkoppen ik doel hier op de Oostduitse CDU. Natuurlijk hebben de Oostduitse kiezers daarvoor gekozen, en het is ook geenszins aan Nederlandse journalisten om het Oostduitse volk in dezen scherp terecht te wijzen. Integendeel: de aansluiting stelt hen in staat van DDR-onderdanen tot Bondsrepublikeinse burgers te worden, en als er iets ons Nederlanders over de oosterburen gerust kan stellen, dan is het wel dat zij de onderdanigheid vaarwel zeggen. Je kunt veel zeggen van de carriere van Christa Wolf, maar niet dat zij haar Duitse lezers geen stof tot nadenken heeft gegeven. En dat is goed: intellectuelen en schrijvers horen het denken te stimuleren. Ook dat is een goede grond om Wolf de Nobelprijs te verlenen: bij zo'n prijs hoort een dankwoord, en misschien doorbreekt ze dan eindelijk haar stilzwijgen over de actuele ontwikkelingen.

    • Raymond van den Boogaard