Lafontaine's gelijk bezorgt SPD problemen

BONN, 25 sept. Blijft Oskar Lafontaine ook na de Bondsdagverkiezingen van 2 december de politieke leider van de SPD? Dat wil zeggen: blijft hij dat als hij, zoals het er nu naar uitziet, niet van CDU-kanselier Kohl wint? Of heeft hij als polemisch-polariserend vertegenwoordiger van een nieuwe politieke generatie straks 'zijn beurt gehad' en gaat de SPD dan na acht jaar oppositie in Bonn op zoek naar een andere rol met meer invloed op het landsbestuur? In de top van zijn partij bestaan al maanden spanningen over de 47-jarige kanselierskandidaat uit Saarbrucken. Onder zijn niet alom beminde leiding maakt de partij zich in het jaar van de Duitse eenheid op voor het grote gevecht met de coalitie van CDU/CSU en FDP. Hij wordt deze week in Berlijn als kandidaat bevestigd op een meerdaags partijcongres, dat ook de fusie van de West- en Oostduitse SPD en het gemeenschappelijk programma moet aanvaarden.

Opponeren tegen Kohl, die maandag op een tweedaags CDU-fusiecongres in Hamburg als partijvoorzitter en kanselierskandidaat wordt herkozen, is veel moeilijker dan het een jaar geleden nog leek. Niet alleen bloeit de Westduitse economie, maar ook wordt bijna alles wat de nu internationaal gevierde kanselier sinds vorig najaar, sinds de omwenteling in de DDR, deed immers met de Duitse eenwording verbonden. Kritiek daarop is gemakkelijk te vertalen als kritiek op de Duitse eenheid zelf, of zelfs als de onterechte kritiek van een partij die nota bene verwant is aan het mislukte socialisme in Oost-Europa. Dat is niet billijk, maar verkiezingscampagnes zijn vaak niet billijk.

Lafontaine waarschuwt de Oostduitsers al maanden dat de bondsregering niet genoeg, en in elk geval niet het goede, voor hen doet, en de Westduitsers dat zij moeten oppassen omdat de Duitse eenwording veel duurder is dan Kohl en Co willen zeggen. Met die laatste waarschuwing heeft hij misschien wel gelijk, maar het is de vraag of hij dat op tijd krijgt. Hoe dat zij, de Saarlandse SPD-premier bestuurt sinds '85 zelf een noodlijdend deelstaatje, en het is tenminste gedurfd dat hij de conservatief-liberale coalitie in Bonn (die acht jaren imposante economische conjunctuur op haar conto schrijft), financiele incompetentie, geldsmijterij en schuldenmakerij verwijt.

Stijl

De autocratische leidersstijl van de kandidaat heeft de afgelopen maanden voor fikse interne spanningen gezorgd. Lafontaine's uiteindelijk verworpen richtlijn dat de SPD in de Bondsdag tegen het Duits-Duitse staatsverdrag moest stemmen maar het in de Bondsraad (waar zij een meerderheid heeft) mocht helpen aanvaarden, is maar een voorbeeld uit een reeks die goed was voor zulke spanningen. Daarvan blijkt ook als de 77-jarige erevoorzitter en oud-kanselier Willy Brandt zegt, zoals onlangs, dat 'niemand hem de vreugde over de Duitse eenheid kan bederven'. Ieder weet dat de als politieke aartsvader herrezen Brandt daarmee op zijn dwarse politieke pleegkind Lafontaine doelt. Nog een voorbeeld: net toen Lafontaine vorige week Kohls coalitie in de Bondsdag fel verweet dat zij de monetaire unie met de DDR op 1 juli onverantwoordelijk snel en verkeerd had doorgevoerd, zei oud-kanselier Helmut Schmidt op een spreekbeurt in Potsdam iets heel anders. Namelijk: 'Kanselier Kohl heeft met de monetaire unie de juiste beslissing genomen, ook al zullen de resultaten daarvan pas op wat langere termijn zichtbaar worden.' In 1987 zag de toenmalige SPD-kanselierskandidaat Johannes Rau, premier van Noordrijn-Westfalen, zijn verkiezingscampagne versjteerd toen Brandt openlijk een andere koers aanprees omdat hij betwijfelde of Rau's doelstelling van een SPD-meerderheid wel realistisch was. Dat de kandidaat dergelijke inmenging van de oudere garde wil voorkomen, lijkt niet zo gek. Temeer omdat de oudere garde hem wantrouwt.

Veelzeggend is het citaat over Lafontaine uit het recente boek Der Abstieg, terugblik van de vroegere SPD-minister Hans Apel (financien, later defensie) op zijn jaren in Bonn: ' Hij heeft de afgelopen jaren weer bewezen dat hij zijn politieke accenten altijd zet zonder aan (partij)verlies te denken, als het voor hem maar nuttig is en hem in het middelpunt van de openbare discussie brengt. Hij voerde ongeremd het gevecht tegen Helmut Schmidt en zijn sociaal-liberale coalitie, om vijf jaar later Schmidt en ook Karl Schiller (minister van financien) op economisch gebied te kwalificeren als de belangrijkste sociaal-democratische politici. Hij was het die Johannes Rau's ja tegen de NAVO dubieus maakte door een einde van de Westduitse integratie in de NAVO te eisen. En ook die positie zal hij veranderen als hem dat zo uitkomt.' Maar er is meer dat de spanning bepaalt en ook bredere betekenis heeft. De kandidaat is door zijn leeftijd, zijn intellectualistische habitus, zijn onconformistische levensstijl en zijn herkomst (uit Saarland, de meest westelijke deelstaat in de Bondsrepubliek, die er pas in 1956 bij kwam) de representant van een heel 'andere' generatie dan die van zestigers en zeventigers als Kohl, Genscher, Schmidt en Brandt. Die oudere generatie heeft, begrijpelijkerwijs, een heel andere verhouding tot het historische moment van de Duitse eenwording. Met het einde van de Duitse deling sluit zij als het ware ook een eigen levenscirkel.

Generatie

Bij Westduitsers die na de oorlog zijn opgegroeid ligt dat anders. Instructief was in dat opzicht vorige week een verbaasd-afstandelijk en komisch essay over de Duitse eenwording van de 40-jarige auteur Patrick Suskind ('das Parfum') in Der Spiegel. Over het 'geluk van het hele Duitse volk' schrijft Suskind, vast namens veel jonge Westduitsers, ongeveer zo gereserveerd als de bezeerde Jan Greshoff het in Nederland voor de oorlog deed over het luide 'We gaan naar Rome' van voetbalcommentator Han Hollander.

Kortom: als Oskar 'Napoleon' Lafontaine de Bondsdagverkiezingen niet wint zouden zijn dagen als eerste SPD-man in Bonn daarna wel eens kort kunnen zijn. Dat ziet hij zelf waarschijnlijk zo, want hij heeft er nauwelijks een geheim van gemaakt dat hij dan liever zijn werk als premier in de deelstaat Saarland voortzet.

Er wordt verbazend weinig over gesproken, maar voor de SPD zijn de komende deelstaatverkiezingen (in de vijf weer ingestelde Oostduitse Lander, op 14 oktober) eigenlijk ten minste zo belangrijk als het vermoedelijk kansloze rechtstreekse duel met Helmut Kohl op 2 december. In de Bondsraad, die wordt samengesteld volgens de krachtsverhoudingen in de deelstaten, heeft de SPD sinds een paar maanden (sinds haar overwinningen in Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen) een voor Kohls regeerwerk medebeslissende meerderheid. Die meerderheid houdt zij alleen als het haar lukt om op 14 oktober in ten minste twee Oostduitse deelstaten te winnen (zij kan slechts hopen op Brandenburg en Mecklenburg, maar heeft juist daar de concurrentie van de PDS en versnippering van linkse stemmen te vrezen). Als het de SPD gelukt om haar meerderheid in de Bondsraad vast te houden, dan is tegelijkertijd een zekere 'consensusverplichting' voor CDU en SPD in de Duitse politiek bevestigd. Een nadeel van de federale structuur van de Bondsrepubliek, met haar op zichzelf zo nuttige, grondwettelijk gegeven checks and balances tussen Bonn en de elf deelstaten, is de bijna voortdurend aanwezige verkiezingskoorts. Altijd zijn er ergens wel verkiezingen op komst of net geweest. Westduitse kiezers zorgen geregeld voor zo'n check door op regionaal niveau als het ware de uitslag van de laatste Bondsdag-verkiezingen te 'corrigeren', zoals ook Kohl de laatste jaren bij nederlagen in deelstaten smartelijk heeft gemerkt. Door dit verschijnsel kende de Bondsrepublikeinse politiek de afgelopen veertig jaar ook een onbedoelde maar permanent nerveuze sfeer (voortdurend gepeild door de Politbarometer), die enigszins aan het door enquetes en frequente verkiezingen beheerste politieke bedrijf in de VS doet denken. Dit gewicht van 'de gunst van de dag' dreigt dadelijk, als er zestien Duitse deelstaten zijn, nog groter te worden.

Niet alleen voor de SPD, maar ook voor de politieke 'kalmte' van het verenigde Duitsland, zou het daarom de moeite waard zijn als in de Bondsraad de nu net bestaande verplichting tot compromis of (op hoofdzaken) consensus bewaard bleef. Die 'kalmte' in de Duitse politiek zou ook de Europese buurstaten wel bevallen, al is een zekere permanente compromis-verplichting misschien niet het eerste waaraan Lafontaine of Kohl denkt.(Dit is het tweede artikel over de komende fusiecongressen van SPD en CDU. Het eerste stond in de krant van gisteren)

    • J. M. Bik