'Laat ze op woensdagmiddag terugkomen'; Dr. Paul Tesserbepleit andere aanpak zwakke leerlingen

Aan het einde van de jaren zestig sloeg een golf van onderwijspessimisme over de Verenigde Staten. Tientallen, nee honderden compensatie-programma's voor zwakke, vaak zwarte leerlingen bleken te falen. De gerenommeerde onderwijsonderzoekers Coleman en Jencks voerden de discussie aan. Zij betoogden dat aan achterstand op school weinig valt te doen zolang er maatschappelijke verschillen bestaan: tegen milieu en opvoeding is geen kruid gewassen.

In diezelfde tijd zette ons, vergeleken bij de Verenigde Staten vaak een beetje achterlopende land de eerste compensatie-programma's op. Vorig jaar werd de evaluatie gepresenteerd van het grondigste en duurste programma, het Rotterdamse 'Onderwijs en Sociaal Milieu' (OSM). De conclusie luidde dat OSM, twintig jaar werken aan het wegwerken van achterstanden in het onderwijs ten spijt, 'zijn doelstellingen niet waar heeft kunnen maken'. Volgend voorjaar komt de evaluatie uit van het onderwijsvoorrangsbeleid, de vijf jaar na het begin van OSM landelijk ingevoerde regel dat scholen met veel arbeiders- en buitenlandse kinderen extra geld krijgen. Naar het zich nu laat aanzien zullen ook de resultaten van dit beleid bitter tegenvallen.

Dr. Paul Tesser is een van de onderzoekers die bezig zijn met de evaluatie van het onderwijsvoorrangsbeleid. De onderzoekers zijn er achter gekomen dat scholen het onderwijsvoorrangsgeld bijna altijd gebruiken om kleinere klassen te maken (ze kunnen meer leraren aannemen), en dat de kinderen voor wie het geld in feite is bestemd daar weinig mee opschieten. Staatssecretaris Wallage is op de hoogte. Hij wil dat de betrokken scholen het extra geld 'gericht gaan inzetten', alleen voor de zwakke leerlingen dus.

Wespennest

Niet bekend

In de toespraak die hij morgen gaat houden, vertelt Tesser hoe hij op zoek ging naar een nieuwe benadering van zwakke leerlingen. Op zijn bureau groeide de stapel rapporten, adviezen en nota's over de laatste verworvenheden met de week: het hierboven aangehaalde rijtje is bij lange na niet uitputtend. Maar hoe meer van die ideeen Tesser las, hoe meer hij de indruk kreeg dat de bedenkers dezelfde fout maakten als de Amerikaanse idealisten in de jaren zestig en hun Nederlandse navolgers in de jaren zeventig. ' Wat opvallend ontbrak in de nota's en rapporten was een scherpe en overtuigende analyse van de problematiek.'

Het verschil was alleen dat in de tijd van OSM de maatschappelijke situatie centraal stond (en werd gepleit voor aanpak van de buurt, van het bestrijden van criminaliteit en werkloosheid tot het verbeteren van de woningen), en dat tegenwoordig onder invloed van de 'effectieve school' een zo efficient mogelijk gebruik van de lestijd de volle aandacht heeft.

Volgens Tesser is zo'n analyse eigenlijk heel eenvoudig misschien wel de reden waarom veel onderwijsverbeteraars eraan voorbijgaan. Uit de evaluatie van OSM bleek dat de prestaties in de eerste klas bepalend zijn voor de hele schoolloopbaan. Ook de evaluatie van het onderwijsvoorrangsbeleid gaat in die richting: arbeiderskinderen en buitenlandse kinderen liggen al snel achter bij rekenen en taal en halen die achterstand nooit meer in. Voor Tesser is het duidelijk: ' Je moet wat doen aan die reken- en taalachterstand in het begin, niet aan gezinsfactoren of de organisatie van de school'.

Van de stapel op zijn bureau legde Tesser twee werken opzij: een Amerikaans boek en een intrigerend Nederlands proefschrift. Het vorig jaar verschenen 'Structurele en pedagogische determinanten van schoolloopbanen' van Paul Leseman beschrijft de impasse waarin de studies over gezinsfactoren inmiddels zijn beland. Zaken als normen en waarden, stijl van opvoeden of woonsituatie hebben, zo stond erin, geen aantoonbare invloed op schoolloopbanen van kinderen. Tesser concludeerde hieruit dat onderzoekers er beter aan doen zich te richten op wat op school gebeurt. En dat is dat arbeiderskinderen en buitenlandse kinderen (eigenlijk ook arbeiderskinderen) al snel een achterstand hebben.

Meer tijd voor taal

Het Amerikaanse boek was 'Strategies for children at risk' van Slavin. Slavin heeft de honderden compensatie-programma's in zijn land onderzocht op wat wel werkte. Meer tijd voor taal, taalgebruik, symbolische representaties en methoden om problemen op te lossen was het antwoord. De verklaring is, aldus Tesser, dat dit soort extra instructie zwakke leerlingen in staat stelt in te halen wat zij thuis hebben gemist. ' Voor gezinnen in de middenklasse is taal erg belangrijk. Die mensen werken met hun hoofd, of ze nu winkelier zijn of op een kantoor zitten. Dat werkt door in de omgang met hun kinderen: ze leggen uit, gaan in op vragen, geven voorbeelden, verbeteren fouten.'

Ze geven kortom instructie, en dat is hetzelfde als wat leraren doen. Maar het is over het algemeen niet de manier waarop in arbeidersgezinnen ouders hun kinderen opvoeden.

Als Leseman, Slavin en Tesser gelijk hebben is de oplossing van het probleem van de zwakke leerlingen even eenvoudig als de analyse. In de Verenigde Staten wordt al geexperimenteerd met tutors, een soort hulponderwijzers die kinderen tijdens de minder belangrijke lessen apart nemen voor 'inhaaluurtjes'. Ook is daar een uit Israel overgewaaid project in opmars waarbij moeders leren met hun kleuters spelletjes te doen waar veel taal aan te pas komt. In Nederland is onder verantwoordelijkheid van het ministerie van WVC ditzelfde, zogeheten OP STAP-project in vijf plaatsen begonnen. De eerste resultaten zijn positief.

Maar Tesser zou het liefste zien dat de lestijd wordt uitgebreid. Tegelijk betwijfelt hij of dat ooit zal gebeuren. ' Het zal wel moeilijk worden. In het Nederlandse basisonderwijs heerst nog steeds het idee dat iedereen evenveel van hetzelfde hoort te krijgen'.

Tot nu toe heeft alleen de gemeente Amsterdam in zijn notitie 'Kwaliteit op maat' laten weten te voelen voor extra tijd voor zwakke leerlingen. Dat er iets moet gebeuren staat vast. In Tessers toespraak morgen staat de omineuze zin dat ' het huidige onderwijsvoorrangsbeleid zelfs negatief kan uitpakken'.

De verklaring is dat leraren van kleinere klassen geneigd zijn tot een meer geindividualiseerde aanpak. Dat gaat dan ten koste van de klassikale instructie, ' met als gevolg dat de totale tijd per leerling achteruit gaat.' Dr. Paul Tesser