Is criminaliteit te genezen?

Onlangs vond in Neurenberg een congres plaats dat geheel was gewijd aan het gebied tussen recht en psychologie. De meest verrassende voordracht ging over de vraag of het helpt jonge deliquenten op de een of andere manier te behandelen. Tot nu toe viel praktisch al het onderzoek negatief uit. Mark Lipsey uit de Verenigde Staten ontdekte echter een fundamentele fout in al dat onderzoek.

Er bestaan heel wat theorieen over het ontstaan van criminaliteit. Het is verstandig om geen voorkeur voor de ene of de andere theorie uit te spreken, want wie dat doet is in Nederland al gauw verdacht. Men kan veronderstellen dat de criminele habitus een erfelijke kwestie is. Of dat het om een verworven ziekte gaat. Of dat crimineel gedrag wordt veroorzaakt door het sociale milieu waarin iemand leeft. Of dat de sociaal-economische verhoudingen in onze samenleving bepaalde groepen tot crimineel gedrag brengen. Of dat we te maken hebben met een allerpersoonlijkste expressie van de eigen identiteit.

Hoe dit ook zij, en ongeacht welke richting men aanhangt, op de een of andere wijze zal men willen proberen uit de theorie een methode af te leiden om herhaling van crimineel gedrag te voorkomen. Daarvoor is ook alle reden, omdat crimineel gedrag de neiging heeft zich steeds, en in steeds ernstiger vorm, te herhalen.

David Farrington, een Engelse onderzoeker die betrokken is bij enkele beroemde longitudinale studies over grote groepen mensen, schetste tijdens hetzelfde congres een somber beeld. De typische crimineel komt voor het eerst als kind met de politie in aanraking wegens winkeldiefstal en vandalisme. Daarna stapt hij vrij snel over naar diefstal, inbraak, beroving, dronken rijden en drugsmisbruik. Hij bereikt een top tussen 25 en 30 jaar, waarna hij via mishandeling van vrouw en kinderen uiteindelijk op middelbare leeftijd uit de registers verdwijnt, met achterlating van kinderen die inmiddels ook crimineel zijn geworden.

Het doorbreken van dit patroon zou voor persoon en samenleving een heilzame uitwerking hebben; het is echter de vraag hoe je dat doet. De diverse theorieen over het ontstaan van crimineel gedrag leiden natuurlijk tot heel verschillende oplossingen. Je kan jonge delinquenten zwaar straffen of aan strenge regimes blootstellen. Je kan ze ook aan individuele, groeps-, of gezinstherapie laten deelnemen. Je kan ze voorwaardelijk straffen en onder toezicht stellen van een reclasseringsambtenaar. Je kan ze naar school sturen om een goed vak te leren. Het is de vraag of deze methoden helpen, en of sommige meer helpen dan anderen.

Er zijn in het verleden vele honderden onderzoeken gedaan over deze vraag. Over het algemeen is de proefopzet steeds dezelfde: een experimentele groep jonge delinquenten wordt aan een van de preventie-programma onderworpen, en vergeleken met een controlegroep die niet aan het programma meedoet. Het criterium is meestal de frequentie van recidive, herhaling van crimineel gedrag in de ene of andere vorm. Het resultaat is doorgaans uitermate teleurstellend: wat je ook doet, niets schijnt te helpen.

De Amerikaan Mark Lipsey heeft aan dit onderzoek een interessante wending gegeven. Zijn voornaamste bezwaar tegen het bestaande onderzoek is dat er steeds te kleine groepen zijn gebruikt. De effecten van preventie-programma's zullen niet groot zijn; een meetbaar resultaat kan je uitsluitend verwachten wanneer de onderzoeksgroepen groot zijn. Hij bekeek 443 onderzoeken; ieder op zich had betrekking op rond 50 delinquenten. Hoewel 229 van deze onderzoeken een positief effect toonden was het resultaat zelden statistisch betrouwbaar. In bijna alle onderzoeken werd daarom geconcludeerd dat preventie-programma's niet werken. Lipsey besloot de resultaten van 443 onderzoeken te combineren met behulp van een zogeten meta-analyse. Daardoor verkrijg je ineens een onderzoeksgroep van meer dan 20.000 delinquenten. Nu is er wel degelijk een effect; niet zo groot, maar wel duidelijk aanwezig: het aantal recidive gevallen vermindert met gemiddeld 10%. Het gemiddelde zegt echter weinig wanneer er rond dit gemiddelde in de praktijk een grote spreiding bestaat. Grote spreiding betekent dat er allerlei factoren zijn die het succes van behandeling mede bepalen. Wanneer je die factoren niet kent blijft je aan het toeval overgeleverd. Lipsey's analyse laat inderdaad een grote spreiding zien: tien keer groter dan de gemiddelde winst van 10%. Voor ongeveer de helft is die spreiding te wijten aan de verschillende manieren waarop de 443 onderzoeken waren ingericht. Bijvoorbeeld, wanneer je de meeste hopeloze gevallen in de experimentele groep zet en de minder ernstige gevallen in de controle groep, is de kans op effect erg klein. Het maakt ook uit wat je meet: terugval binnen drie maanden of binnen drie jaar. Maar gelukkig is de onderzoeksmethode niet allesbepalend: ongeveer de helft van de spreiding wordt veroorzaakt door verschillen tussen de preventie-programma's.

Hoewel een effect van verschillen tussen behandelingsmethoden voor de hand ligt is het niet bij voorbaat gegarandeerd dat je zo'n resultaat ook vindt. Het beroemde onderzoek van Shapiro en Shapiro over het effect van psychotherapieen liet zien dat alle therapieen hetzelfde, niet al te grote effect hebben. De aard van de therapie en de aard van de klacht doen er niets toe. Al het getheoretiseer over psychische stoornissen is ongefundeerd, voorzover dit leidt tot de voorspelling dat de ene behandelingsmethode meer effect zou hebben dan de andere. Wanneer elkaar tegensprekende theorieen tot even goede behandelingsmethoden leiden, die toepasbaar zijn op het totale scala van psychische stoornissen, zijn de theorieen blijkbaar niet van belang. Bij de preventie van criminaliteit is de situatie anders: sommige programma's hebben meer effect dan andere.

Hier zijn wat voorbeelden. Afschrikking door strenge straffen en blootstelling aan zeer gecontroleerde regimes helpt niets. Integendeel, het vergroot de kans op recidive. Theorieen die leiden tot de voorspelling dat straffen helpt, zijn dus duidelijk fout.

Het geven van een beroepsgerichte training werkt ook niet. Criminaliteit wordt dus niet voortgezet wegens een gebrek aan opleiding.

Counseling programma's, en de meeste andere vormen van psychotherapeutisch ingrijpen, hebben een klein maar te verwaarlozen effect. Dat geldt vooral voor behandelingen in instituten en faciliteiten die een band met justitie hebben. Dit is veelbetekenend omdat, zoals gezegd, psychotherapieen in het algemeen wel degelijk werken. Criminaliteit is kennelijk geen psychologische stoornis.

Gedragstherapie helpt wel. Maar die gaat dan ook niet van de veronderstelling uit dat er interne psychologische toestanden zijn die men door op de persoon in te praten kan veranderen. Gedragstherapie leert mensen een nieuw gedragspatroon aan, op een manier die in principe ook bij amoeben zou moeten werken.

Het allergrootste effect heeft tewerkstelling in een echte baan. Naar de reden kan je gissen, de getallen doen daarover geen uitspraak. Het zou kunnen zijn dat de werkende jonge delinquent in een totaal andere omgeving komt, die geen crimineel gedrag uitlokt, of nodig maakt. Het kan ook zijn dat constructief bezig zijn en het werken met collega's een zekere eerbied voor mensen en dingen met zich meebrengt. Het is mogelijk dat de werkende crimineel in zijn vrije tijd gewoon te moe is om zich in allerlei kwaad te begeven. Of, tenslotte, misschien wordt een stevig werkende jongere wel extra aantrekkelijk voor een degelijke, stabiliserende levenspartner? Ongeacht het antwoord op deze vraag kunnen we vaststellen dat minister-president Lubbers' aandrang op meer en strengere straffen in het licht van deze gegevens als zeer onverstandig moet worden betiteld.

Het onderzoek van Mark Lipsey wordt een meta-analyse genoemd. Het is een nogal ingewikkelde statistische techniek, die veel verder gaat dan alleen maar het optellen van uitkomsten. Meta-analyse is vooral voor de psychologie een belangrijk nieuw instrument, omdat het ons in staat stelt gegevens van zeer grote aantallen proefpersonen te integreren. Dat is van belang omdat de effecten die wij zoeken meestal klein zijn, en omdat kleine studies zeer veel storende invloeden bevatten die de effecten vertroebelen. Hier is een eenvoudig voorbeeld. Een middelgrote onderneming, gevestigd in twee landen, onderneemt in een van de twee landen een intensieve actie ter verhoging van het veiligheidsbewustzijn van haar werknemers. Het effect wordt gemeten door een vergelijking met het andere land. Helaas maakt juist in het eerste land een technicus een kleine vergissing, waardoor een helicopter met 16 inzittenden neerstort. Betekent de uitermate negatieve statistiek nu dat het veiligheidsprogramma averechts werkt? Nee, we kunnen slechts vaststellen dat veiligheid niet onderzoekbaar is wanneer een seconde onoplettendheid van een enkele persoon de totale uitslag bederft. Meta-analyse van vele soortgelijke onderzoeken kan hier uitkomst bieden.

De hamvraag, waarop Lipsey niet ingaat, is natuurlijk of het kleine effect van preventie-programma's eigenlijk wel de moeite waard is. Wegen de kosten op tegen het resultaat? Ik zie af van moeilijk te wegen aspecten zoals de waarde van een welbesteed leven of de psychische schade die slachtoffers ondervinden, en let alleen op de financiele schade die criminelen ons berokkenen.

Er geldt dan dat een preventie-programma zichzelf betaalt wanneer een criminele carriere een schade veroorzaakt die 30 maal zo groot is als de kosten van de behandeling. Dit getal berust op de overweging dat 30% in recidive vervalt, en dat effect van behandeling 10% van deze groep betreft, ofwel ongeveer 3%. Je hebt dus succes bij de drie op de honderd jonge delinquenten, ofwel een op dertig.

Ik ken geen cijfers over de schade veroorzaakt door een jarenlang volgehouden criminele carriere. Maar ik zou me niet verbazen als zelfs het kleine succes van 3% alleen om financiele redenen al zeer aantrekkelijk is. En aangezien het succes zozeer samenhangt met de methode en de onderliggende theorie, concludeer ik dat een goede theorie over dit probleem zijn geld waard is.

    • Zoals Minister-Pres