Familiale ziekte van Alzheimer blijkt genetisch heterogeen

Onderzoek bij families met de erfelijke vorm van de ziekte van Alzheimer wijst uit dat al die families niet dezelfde genetische afwijking hebben: het genetisch defect van patienten bij wie de ziekte vroeg begint (voor het 65e jaar) verschilt van dat van patienten waarbij de ziekte later begint. De ziekte verloopt in beide gevallen op dezelfde wijze (steeds meer geheugenverlies, intellectuele aftakeling en motorische coordinatiestoornissen), maar blijkt toch genetisch heterogeen. Verder komt de ziekte van Alzheimer ook vaak voor zonder dat er aanwijzingen zijn voor het bestaan van genetische afwijkingen.

Kenmerkend voor de ziekte van Alzheimer is een neerslag van het eiwit beta-amyloid (A4-eiwit) dat overal in de hersenen van de patienten aanwezig is. Dit eiwit maakt onder normale omstandigheden deel uit van een veel groter eiwit, het amyloid precursor protein (APP). Er is de laatste jaren veel onderzoek gedaan naar dit APP, want men hoopte dat als de functie van dit eiwit opgehelderd zou zijn, ook het ontstaan van de ziekte van Alzheimer duidelijk zou worden. In 1987 werd eerst het gen van het APP gelocaliseerd op de lange arm van chromosoom 21. Daarna werd ontdekt dat ook het afwijkende gen bij patienten met de vroege vorm van Alzheimer zich op datzelfde chromosoom bevond. De verklaring voor de familiale ziekte van Alzheimer leek dus nabij en de oorzaak van de veel frequentere niet erfelijke vorm van Alzheimer zou dan wellicht ook duidelijk worden.

De publicatie van de 'Familial Alzheimer's Disease Collaborative Study group' in 'Nature' van 13 september geeft aan dat die verklaring nog ver te zoeken is. Het rapport omvat de resultaten van een genetische analyse van een groot aantal families met de ziekte van Alzheimer, die door een zestigtal onderzoekers uit de hele wereld verzameld zijn. Daaruit wordt duidelijk dat bij alle patienten met de late vorm van de ziekte van Alzheimer en ook bij een bepaalde familie met vroege Alzheimer geen genetische afwijking op chromosoom 21 aanwezig is.

Dat maakt de verklaring van de ziekte van Alzheimer zeer ingewikkeld. In sommige gevallen wordt de ziekte veroorzaakt door een defect op chromosoom 21, maar in andere gevallen zal de ziekte het resultaat van andere mono-, of polygenetische defecten. Daarnaast kunnen ook omgevingsfactoren, alleen of in combinatie met genetische factoren, een rol spelen.

In een redactioneel commentaar stelt 'Nature' dat men met de huidige methoden niet verder komt. Er moeten nieuwe technieken ontwikkeld worden om alle genen te screenen die een kandidaat zijn voor de mutaties die de ziekte van Alzheimer kunnen veroorzaken. 'Nature' oppert dat de ziekte misschien wel, net als eerder de atherosclerose (aderverkalking) ook een voorbeeld van een aandoening met een zeer complexe ontstaanswijze in het laboratorium bestudeerd moet worden met behulp van celkweken onder allerlei wisselende omstandigheden. (Bart Meijer van Putten)